eindelijk weg
Hij is weg, die bult op m’n kin. Precies op tijd volgens de chirurg. De huid zat er zo strak omheen dat een uitbarsting onvermijdelijk was geworden, deelde hij me mede. ‘Dat wil je niet meemaken’, lachte hij. Het hield me op de operatietafel. Goed, het was voor het eerst dat ik geopereerd werd. En dan is ‘opereren’ eigenlijk een groot woord, vond ik. Zo’n bult op je kin, das toch gewoon een sneetje maken, eruit wippen, dicht maken en klaar is ‘t?
Bleek dus anders. Allereerst moest ik mijn vlucht-instinct onderdrukken. De aanblik van die tafel, het ‘gereedschap’, de chirurg en assistente die zich van top tot teen hadden gekleed als in ER en de vrolijke klassieke muziek die uit de speakers druppelde werden me bijna teveel. Dan liever gewoon een bult op mijn kin, dacht ik. Tot het uitbarstingverhaal van de beste man. Alles liever dan dat.
Terwijl de chirurg vrolijk keuvelde met de assistente, drukte hij zes spuiten met verdovingsvloeistof in mijn kin. En pijn dat het deed! Na een minuut of drie was het ding eruit, maar blijkbaar bloedde ik als een rund. ‘Waar blijft ze nou, we moeten die bloedvaten dicht branden. Ze kan echt niet langer wegblijven, hoor’, mompelde de chirurg. Hoorde ik daar een lichte paniek in zijn stem. Ja, dat hoorde ik. En daar was ze weer, de assistente. Met een soort soldeerbout.
Het dichtbranden zelf voelde ik uiteraard niet, wel rook ik een penetrante schoeilucht. Van mijn eigen vlees. ‘Het zijn er wel veel’, mopperde de chirurg. Om me op mijn gemak te stellen, vroeg de chirurg naar mijn beroep. Met gedrogeerde stem – die verdomde verdoving – grapte ik dat ik voor het Haarlems Dagblad schreef en een reportage maakte over kleine chirurgische ingrepen. Zorgde voor een flik gekwetter rond de tafel. De schroeilucht bleef ik ruiken.
Na afloop mocht ik de cyste met eigen ogen aanschouwen. Wat een joekel van een ding zeg, het leek wel een knikker. Mooi wit, omgeven door een vliesje bloed. Nee, meenemen mocht niet. Als Menzis om bewijsmateriaal vraagt, moest ie opgestuurd kunnen worden. Het moet niet gekker worden met die verzekeraars. Met een grote pleister en want hechtstrips op zak mocht ik het ziekenhuis weer verlaten. Oh ja, er was ook nog een advies: als het gaat bloeden gewoon met en stevig voorwerp hard op de wond drukken, zo’n tien minuten was genoeg.
Goed, buiten die verdomde verdoving had ik nergens last van. Dus fietste ik met gebogen hoofd – het regende – naar huis en kroop daar achter mijn macbook pro om weer aan het werk te gaan. Fijn ging dat niet. De verdoving, de spanning, geen idee wat, maar ik voelde me verre van goed. Tot overmaat van ramp had het bloed zich een weg door de pleister gebaand. In donkerrode druppels viel het naast me neer.
Navraag leerde: na een operatie, hoe klein ook, dien je rust te houden en, in dit geval, het hoofd overeind te houden. Dat bloeden ging nog enkele uren door. Ook nadat ik er een ontzettend grote wondpleister op plakte die nog steeds mijn halve kin bestrijkt. Uiteindelijk heb ik redelijk geslapen. Wel werd ik, bang dat ik in mijn slaap op mijn buik zou draaien, steeds wakker.
Nu gaat het best goed. Geen verdoving meer, geen pijn en geen bloed. Alleen die half met bloed doorweekte enorme pleister op mijn kin baart me zorgen (echt drie keer zo groot als op onderstaande foto die ik gisteren nam voor het echte bloeden begon). Zo kan ik toch onmogelijk naar buiten? Morgen moet ik wel. Eindpresentaties van het Music Mayday Project door mijn studenten. Straks maar even langs de doktersassistente.



