creatieve industrie, kritiek, nieuwe media, oude media

Retromania als levenshouding – over DIY Conference tijdens Incubate

Vroeger was alles beter. Dat is zo ongeveer de strekking van de conferentie over DIY-cultuur die afgelopen weekend als onderdeel van het Tilburgse Incubate festival werd gehouden. Die hang naar vroeger gaat ver. Op vrijdag keren hoofdsprekers Simon Reynolds en Mark Fisher terug naar de hoogtijdagen van web 2.0, zo rond 2008, om te fulmineren tegen de nieuwe mainstream van DIY-cultuur én interactiviteit als de nieuwe passiviteit. Op zaterdag houdt Robert Levine een gloedvol pleidooi vóór copyrights. Een surreële ervaring: is dit écht 2012?

Lees verder bij frnkfrt.

Standard
gonzo circus, kritiek, nieuwe media, oude media

Deze keer in Gonzo (circus): Andy Stott en Thierry Bardini

In het zomernummer van Gonzo (circus) tref je twee artikelen van me aan. Een over de post-dystopische disco van de Britse producer Andy Stott die vorig jaar met de briljante platen We Stay Together en Passed Me By op Modern Love hoge ogen gooide.

Tevens een interview met de Franse socioloog Thierry Bardini die eind vorig jaar zijn boek Junkware uitbracht in de Posthumanities-reeks van de Universiteit van Minnesota. De man is aangenaam gezelschap en ik zou graag een van zijn colleges willen bijwonen aan de Universiteit van Montreal. Helaas geeft hij die in het Frans. En tja, die taal ben ik maar voor een klein deel machtig.

Laat ik eindigen met de eerste alinea van het interview zoals het is verschenen in Gonzo (circus) #110. Meer lezen? Dan zul je de papieren uitgave aan moeten schaffen. Meer info: www.gonzocircus.com.

Thierry Bardini en de nexus-mens
Over junk, Baudrillard en de mens als netwerknode

Theoretiseren met de Franse slag, dat is wat Thierry Bardini in zijn nieuwe boek ‘Junkware’ doet. Als een hedendaagse Jean Baudrillard rijgt hij verhalen aan elkaar. Conclusie? Alles is junk. Maar een definitie geven? Ho maar.

“Hoe moet ik nou met je praten? Waarom adresseer ik mijn vraag aan jou en niet aan alle andere organismen die tegenover me zitten? De bacteriën in jouw lichaam, bijvoorbeeld?” vat Thierry Bardini ons gesprek samen. Hij kijkt me met vragende ogen aan, tovert een glimlach op zijn gezicht en trekt z’n schouders op. Een triomfantelijk gebaar dat zoveel betekent als: “Zie je nou wel?” Bardini leunt achterover en steekt een sigaret op. De geur van verbrande tabak mengt zich met die van vochtige planten en grond. Vlakbij kwettert een vogel. Verder is het doodstil in hartje Amsterdam.
Het afgelopen anderhalf uur heeft Bardini duidelijk gemaakt dat ik niets heb begrepen van zijn boek ‘Junkware’, dat vorig jaar verscheen in de ‘Posthumanities’-reeks van de Universiteit van Minnesota. Niet erg. Bardini begrijpt er namelijk zelf ook niets van. “Dat is de essentie van junk: het is een concept zonder begin en einde, zonder grootte, zonder afmetingen. Door precies te willen weten wat ik met het begrip bedoel kader je te veel af, ga je op zoek naar definities. Op die manier is junk niet te begrijpen”, legt Bardini geduldig uit.
Later meer over junk, een woord dat niet in het Nederlands is te vertalen. Dat dus sowieso lastig uit te leggen is. In het boek wekt dat irritatie, maar als Bardini aan het woord is, hoop je dat hij nooit tot de essentie komt. Dan is zijn verhaal immers ten einde. En god, wat kan de geboren Fransman vertellen.
Die licht spottende blik, dat steenkolen-Engels, die verontschuldigen wanneer hij het juiste woord niet weet en dus gaat voor het Franse; Bardini is charmant. Ergens begin vijftig, drie-dagen-baard, middellang zwartgrijs haar, netjes gekleed, behept met die typische Franse nonchalance, lachende ogen waarvan je niet weet of er ironie uit spreekt. En dan die belezenheid en referenties naar allerlei denkers, vooral Franse, die hij tussen neus en lippen door laat vallen. Als Bardini vertelt, houdt zijn omgeving de adem in.

Lees verder (2400 woorden, 4 pagina’s) in Gonzo (circus) #110 van juli/augustus 2012.

Standard
kritiek, nieuwe media, oude media, pop

The Kids Are Alright: over jeugdige onbezonnenheid, waardeloze cultuur en gratis muziek

I Know if I go things would be a lot better for her
I had things planned, but her folks wouldn’t let her

The Kids Are Alright, The Who (1963)

The best wat to predict your future is to create it.
Abraham Lincoln of Peter Drucker, zo je wilt

Je muziek toevertrouwen aan the cloud? Daar is niets dappers aan hoor, beweert Emily White op de website van het Amerikaanse radiostation NPR Music. Eenentwintig is ze en, al is ze geen digital native, voor haar is muziek per definitie onzichtbaar en digitaal. Voornamelijk illegaal, ook. Een schande, reageert David Lowery bij The Trichordist. De jeugd moet worden heropgevoed, zo beweert hij. White zorgt met haar bekentenis voor een stroom aan artikelen die op elkaar reageren in de, voornamelijk, Amerikaanse media en blogosphere. De ene nog vermakelijker dan de andere. Maar White iets verwijten? Dat is onzin: the kids are alright.

Lees verder bij frnkfrt.

Standard
journalistiek, nieuwe media, oude media

Doe wat je zegt

Een week geleden pakte ik m’n Freitag voor een dagje Arnhem. Heeft consequenties gehad. Voor mij, dan. Doorgaans houd ik lezingen over relatief abstracte onderwerpen: de toekomst van de muziekindustrie, fotografie in tijden van nieuwe media, de soundtrack van de gebroken stad, de sociologie van innovatie, de opkomst van dance-muziek. Op Gesel XL, een tweedaags popfestival georganiseerd voor 3voor12/Gelderland sprak ik over de toekomst van de popjournalist. Mijn verhaal zette heel wat aanwezigen aan het denken, zo bleek achteraf. Ook ik kreeg mijn eigen verhaal niet meer uit mijn hoofd.

Drie jaar geleden haalde ik Andrew Keen, auteur van The Cult Of The Amateur, van de trein. In de metro spraken we over vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule. Het klikte. Ik vertelde Keen dat ik schreef voor traditionele media die moeite hadden de stap naar het nieuwe mediatijdperk te maken. Keen lachte, sloeg me op de schouders en zei: “die media heb je helemaal niet meer nodig.” Word je eigen merk, adviseerde hij me. Voor het te laat is. Als de netwerkmaatschappij doorzet? Dan kun je je niet meer verschuilen achter die ouderwetse kranten en tijdschriften. Die overleven het misschien, misschien niet.

Jezelf neerzetten als merk? Dat klonk me fout in de oren. Daarbij was ik een van de vier genomineerden voor de Pop Media Prijs 2009. Die won ik, uiteraard, niet. Die nominatie had ik te danken aan het sterke underground-merk cut-up, dacht ik. Dat denk ik nog steeds. Ik ben van de merken-generatie. Als klein jongetje stond ik voor de spiegel met een omgekeerd tennisracket in de had. Ik zong mee met ‘I Was Made For Loving You’ van Kiss, maar droomde stiekem van een carrière als popjournalist. Bij OOR. Nou ja, eigenlijk eerst bij Aardschok. Wist ik veel. Die carrière kwam er. In het eerste decennium van deze eeuw heb ik aardig kunnen leven van de (pop)journalistiek. Inmiddels heb ik een aardige naam opgebouwd als ‘kenner’. Daar kun je iets mee doen.

En dat is precies wat Keen beweerde. In zijn nieuwe boek Digital Vertigo, dat in mei gaat verschijnen, legt hij uit hoe de nieuwe mediawereld er uit gaat zien. Ik ben nog bezig in het eerste hoofdstuk. Keen gaat er een stuk diepgravender en theoretischer te werk dan in The Cult Of The Amateur, dat meer een lang pamflet leek. En ja, nu snap ik Keen. De traditionele media waarvoor ik werk willen en kunnen nieuwe media niet begrijpen. Trekken aan een dood paard is een heilloze missie. Erg? Misschien niet. Een titel als OOR kan verder als enkel papieren blad. Het internet zoals we dat nu kennen wordt immers langzaam weggeduwd door de wereld van de apps. OOR als app én papieren blad, dus. Datzelfde geldt voor Gonzo (circus): kleine, kritische én loyale lezersgroep. Komt dus wel goed, ook zonder goede aanwezigheid op het web.

Een week geleden vertelde ik in Arnhem over het nieuwe curatorschap. De journalist als spil in zijn of haar eigen netwerk. Hoe groot dat netwerk is? Doet er niet zoveel toe. Zolang je maar weet wat je netwerk wil.

Zeven regels stelde ik op om het nieuwe curatorschap tot een succes te maken:

1. Kies een duidelijke niche
2. Maak duidelijke en heldere keuzes
3. Combineer verschillende media
4. Ben oprecht
5. Ben persoonlijk
6. Doen niet alles, wil niet alles doen
7. Ben de spil in je netwerk

De beelden van de presentatie, dus zonder mijn gesproken verhaal, kun je hieronder bekijken. Ik overtuigde niet alleen een deel van de aanwezigen, maar ook mezelf. Het gaat me veel tijd kosten, ik zal dit blog vervloeken, maar dit blog wordt een belangrijke plek in mijn eigen netwerk als curator. Misschien wel dé belangrijkste plek. Dat betekent nogal wat. De laatste tijd doe ik bitter weinig met dit blog. In feite is het nu niets anders dan een verwijzingsmiddel naar mijn stukken bij Frankfurt, OOR, Gonzo (circus), ZwartGoud en Joop. Vanaf komende maandag zijn de rollen omgedraaid. Dan is dit blog het belangrijkste. Gaat veel tijd kosten. Die ik niet heb. Maar toch. Wie een lezing geeft over het nieuwe curatorschap, moet zelf nóg meer aan de bak. Inderdaad: doe wat je zegt.

Standard
gonzo circus, journalistiek, kritiek, nieuwe media, OOR, oude media, pop

(pop)journalisten en internet

Het gaat slecht met The New York Times. Eerst hét bolwerk voor kwaliteitsjournalistiek, nu een krant die probeert te overleven in het digitale tijdperk. En tja, zoals met alle worstelende media vecht het instituut meer tegen zichzelf dan tegen de buitenwereld. Bleek ook in de veel te korte docu Page One: Inside The New York Times die gisteravond werd uitgezonden op Canvas.

Hoe komt het toch dat zoveel traditionele media en nieuwe media niet goed weten hoe om te gaan met de dynamiek van het web? In 2007 schreef ik een artikel over de staat van de Nederlandstalige popjournalistiek op het web. Deels uit frustratie, geef ik toe. Sinds het begin van deze eeuw heb ik in tal van internetredacties gezeten. Een paar jaar was ik hoofdredacteur van KindaMuzik, negen jaar leidde ik cut-up. Bij dat laatste webzine heb redacties meegemaakt die de nieuwe tijd omarmden alsof het een levenselixer was. Samen bliezen we de euforie die we misten sinds de jaren negentig nieuw leven in.

In 2009 trok ik er de stekker uit. Kostte te veel tijd, er waren te weinig schrijvers en de beoogde samenwerking met andere media kwam maar niet van de grond. Ik vond onderdak bij Gonzo (circus). Het Vlaamse papieren tijdschrift dat voor een deel in dezelfde niche opereert. Stuk minder pop dan cut-up maar op dezelfde manier op zoek naar diepgang, naar achtergronden, naar het wezen van deze tijd. Stiekem zag ik voor mezelf een rol weggelegd in de digitale tak van het blad. Daar is het nooit echt van gekomen.

Wel schreef ik voor Gonzo (circus) #97 een vervolg op mijn eerdere artikel. Een soort van stand van zaken. Mijn conclusie? Eigenlijk staat de Nederlandstalige pop- en cultuurjournalistiek er nog slechter voor dan in 2007. Hoe dat komt? Ik heb zo mijn ideeën. Nee, geen schot voor de boeg, want ‘een gevoel’ is niet genoeg om harde uitspraken te doen. Mijn ervaringen met het internetbeleid bij Gonzo (circus) en OOR zijn niet bepaald positief. Beide bladen – met een hele andere doelgroep – behandelen het digitale thuis als een noodzakelijkheid, een moetje. Dat is ontzettend jammer. Maar goed, dat is de redacties van beide bladen niet zomaar aan te reken. Er werken professionele en gepassioneerde journalisten, net als bij The New York Times, die denken in oude formaten. En tja, als je blad succesvol is – en dat zijn OOR en Gonzo (circus) -, waarom dan veranderen?

Geen opzienbarende gedachte. In het huidige tijdsgewricht is het denken in nieuwe ideeën eerder uitzondering dan regel. Dat is jammer, zonder meer, maar wel de werkelijkheid. Na Page One: Inside The New York Times kriebelt het bij mij in ieder geval weer. Wordt het niet weer eens tijd om in een redactie (buiten die van lokaal blog ZwartGoud, natuurlijk) plaats te nemen en écht aan de slag te gaan om pop- en cultuurjournalistiek en internet bij elkaar te brengen? Misschien. Maar dat betekent het oprichten van een nieuw initiatief. Cut-up nieuw leven in blazen? Zeker niet. Het oude succes – lange, diepgaande artikelen op internet en toch 35.000 unieke lezers – zou een te grote referentie zijn. Komende week schrijf ik mijn laatste artikel in de, zeer arbeidsintensieve, reeks Radicale Vrijheid voor Gonzo (circus). Dus daarna? Wie weet.

Standard