Zoals ik gisteren al schreef: 2011 is een mooi jaar voor muziekclips. Heb er op dit blog een paar handenvol gepost. De clips hieronder wil ik niet onthouden. Het is een willekeurige selectie van clips die ik de laatste week – sinds ik weer terug ben in mijn eigen huis – heb gezien en van onder de indruk raakte.
Geniet ervan en vast een creatief en bijzonder muzikaal 2012!
De overheid heeft het niet gemakkelijk. Ze schuttert met nieuwe media, laat ICT-projecten uit de klauwen lopen en hinkelt achter het bedrijfsleven aan. Tenminste, dát zijn de vooroordelen. Kloppen wel een beetje, lijkt het Open Innovatie Festival, ondertitel: deel de overheid, te bevestigen. Deze week worden voor de vierde maal in 21 gemeenten ambtenaren, bestuurders en raadsleden bijgepraat over de stand van zaken in de genetwerkte samenleving. Door het bedrijfsleven en burgers. Ook in Heerlen.
Het was me het weekje wel in muziekland. Met veel bombarie opende Google z’n nieuwe muziekdienst Google Music in thuisland VS. Tegelijkertijd trokken honderden kleine platenlabels en -distributeurs zich terug van muziekplatform Spotify. Goede ontwikkelingen? Slechte ontwikkelingen? Hangt ervan af welke toekomst je in gedachten hebt voor de muziekindustrie.
Het gaat slecht met The New York Times. Eerst hét bolwerk voor kwaliteitsjournalistiek, nu een krant die probeert te overleven in het digitale tijdperk. En tja, zoals met alle worstelende media vecht het instituut meer tegen zichzelf dan tegen de buitenwereld. Bleek ook in de veel te korte docu Page One: Inside The New York Times die gisteravond werd uitgezonden op Canvas.
Hoe komt het toch dat zoveel traditionele media en nieuwe media niet goed weten hoe om te gaan met de dynamiek van het web? In 2007 schreef ik een artikel over de staat van de Nederlandstalige popjournalistiek op het web. Deels uit frustratie, geef ik toe. Sinds het begin van deze eeuw heb ik in tal van internetredacties gezeten. Een paar jaar was ik hoofdredacteur van KindaMuzik, negen jaar leidde ik cut-up. Bij dat laatste webzine heb redacties meegemaakt die de nieuwe tijd omarmden alsof het een levenselixer was. Samen bliezen we de euforie die we misten sinds de jaren negentig nieuw leven in.
In 2009 trok ik er de stekker uit. Kostte te veel tijd, er waren te weinig schrijvers en de beoogde samenwerking met andere media kwam maar niet van de grond. Ik vond onderdak bij Gonzo (circus). Het Vlaamse papieren tijdschrift dat voor een deel in dezelfde niche opereert. Stuk minder pop dan cut-up maar op dezelfde manier op zoek naar diepgang, naar achtergronden, naar het wezen van deze tijd. Stiekem zag ik voor mezelf een rol weggelegd in de digitale tak van het blad. Daar is het nooit echt van gekomen.
Wel schreef ik voor Gonzo (circus) #97 een vervolg op mijn eerdere artikel. Een soort van stand van zaken. Mijn conclusie? Eigenlijk staat de Nederlandstalige pop- en cultuurjournalistiek er nog slechter voor dan in 2007. Hoe dat komt? Ik heb zo mijn ideeën. Nee, geen schot voor de boeg, want ‘een gevoel’ is niet genoeg om harde uitspraken te doen. Mijn ervaringen met het internetbeleid bij Gonzo (circus) en OOR zijn niet bepaald positief. Beide bladen – met een hele andere doelgroep – behandelen het digitale thuis als een noodzakelijkheid, een moetje. Dat is ontzettend jammer. Maar goed, dat is de redacties van beide bladen niet zomaar aan te reken. Er werken professionele en gepassioneerde journalisten, net als bij The New York Times, die denken in oude formaten. En tja, als je blad succesvol is – en dat zijn OOR en Gonzo (circus) -, waarom dan veranderen?
Geen opzienbarende gedachte. In het huidige tijdsgewricht is het denken in nieuwe ideeën eerder uitzondering dan regel. Dat is jammer, zonder meer, maar wel de werkelijkheid. Na Page One: Inside The New York Times kriebelt het bij mij in ieder geval weer. Wordt het niet weer eens tijd om in een redactie (buiten die van lokaal blog ZwartGoud, natuurlijk) plaats te nemen en écht aan de slag te gaan om pop- en cultuurjournalistiek en internet bij elkaar te brengen? Misschien. Maar dat betekent het oprichten van een nieuw initiatief. Cut-up nieuw leven in blazen? Zeker niet. Het oude succes – lange, diepgaande artikelen op internet en toch 35.000 unieke lezers – zou een te grote referentie zijn. Komende week schrijf ik mijn laatste artikel in de, zeer arbeidsintensieve, reeks Radicale Vrijheid voor Gonzo (circus). Dus daarna? Wie weet.
Wil jij zelf audioreporter spelen op Lowlands? Dat kan! Tenminste, als je beschikt over een iPhone of Android-toestel. Met Shoudio maak je je eigen opnames. Van interviews, gesprekken, gezellig geroezemoes bij de eettentjes en, stiekem, van je favoriete act. Die deel je dan weer via Twitter, Facebook en 3FM. Op de website van de radiozender – www.3fm.nl – komt een 3d-versie van de plattegrond van het Lowlands-terrein waarop alle audioreports zijn aangegeven. Ook die van 3FM zelf.
Grimas op het gezicht van Sascha Ring. Wéér een fout. De Berlijner probeert zijn teleurstelling te maskeren. Lukt dus niet. Zo speels en vrij als hij te werk gaat als Apparat, zo gespannen stond Ring er afgelopen donderdag bij mét band. Geen wonder. De akoestiek in de Philharmonie in Keulen is fabelachtig goed. Elke noot is perfect te horen, óók de valse. En tja, Ring wil extra goed voor de dag komen. Dit jaar nog moet er een album uitkomen van Apparat als heuse band: geen glitch meer, maar postrock met elektronica. Op het podium voor klassieke muziek blijft daar weinig van over. In de hoofdstad van de instrumentale rock overspeelde de Berlijner duidelijk zijn hand.
“Twitter is een bedreiging voor het vak. Nu staat de recensie onder druk door het idee dat alles al is beleefd en beschreven door het publiek”, beweert OOR-collega Tom Engelshoven in Dagblad Trouw. Verleidelijke gedachtengang, maar klinkklare onzin.
Lees verder op de gisteren totaal vernieuwde site van OOR.
Douglas Rushkoff gelooft niet in machines, wel in mensen. In het interview dat ik met hem had toonde hij zich een grenzeloos optimist.
Mijn gesprek met hem is nu te lezen in Gonzo (circus) #102. Uiteraard als onderdeel van de reeks Radicale Vrijheid. Mét wederom geweldige illustraties van Yorick Bergsma. Hieronder een kort voorproefje.
<<
Moldavië? Iran? Tunesië? Twitterrevoluties. En voeg Egypte maar vast toe. ‘The freedom to connect is a tool of liberation – and it’s powerful’, benadrukt Roger Cohen in The New York Times van 27 januari 2011. In de Verenigde Staten worden sociale media door de traditionele media geprezen voor de rol die ze spelen in recente volksopstanden en protesten. Hillary Clinton, minister van Buitenlandse Zaken onder Barack Obama, doet daar een flinke schep bovenop. Volgens haar kan de wereld zich via blogs, Facebook, YouTube en Google een weg naar democratie en vrijheid banen. Om er aan toe te voegen dat het voor de Verenigde Staten prioriteit heeft om ‘the power of connection technologies”’te versterken, “and apply them to our diplomatic goals”. Nog een stapje verder gaat Mark Pfeife, voormalig adviseur nationale veiligheid van de Verenigde Staten. Hij geeft Twitter vast de Nobel Prijs voor de Vrede voor de rol die het medium speelde tijdens de Iraanse protesten in 2009. New York Times-journalist Robert Cohen valt hen bij in zijn opiniestuk ‘Revolution Arab Geeks’. Hij was er bij, daar in Tunesië en ja, Facebook gaf jonge demonstranten de macht om zich te verenigen. YouTube bood ze de mogelijkheid om direct en onverbloemd te laten zien wat er gebeurde op de straten en de pleinen. Ook belangrijk: ze toonden de rol die het westen heeft gespeeld in het in het zadel heisen en houden van dictators. En dat pikt de jonge, niet-ideologische, generatie niet. Of Clinton daar ook zo blij mee is? Inmiddels groeit het commentaar op de lofzang op de rol die sociale netwerken spelen bij volksopstanden.
In het toonaangevende vakblad Foreign Policy veegt Golnaz Esfandiari de vloer aan met de vermeende rol van Twitter bij de Iraanse protesten. Er werd immers vooral getweet door buitenlanders in het buitenland. Ook werd Twitter effectief ingezet door de regering zelf om verdeeldheid te zaaien onder de protesteerders. De revolutie wordt niet getweet, beweert auteur Malcolm Gladwell, bekend van boeken als The Tipping Point (2002) en Blink (2005), in The New Yorker. Activisme, de wil om de bestaande situatie te veranderen, is gebaad bij een sterke sociale relaties. In zijn artikel haalt hij er allerlei voorbeelden uit het verleden bij – van de eerste Afro-Amerikaanse protesten tot de de val van de Berlijnse muur en vrijheidsstrijders in Afghanistan. Sociale media bieden juist zwakke relaties. Natuurlijk, ook die relaties bezitten kracht, maar de investering die nodig is om onderdeel te zijn van het netwerk is verwaarloosbaar. Het klikken op de ‘vind ik leuk’-knop op de Facebook-pagina van 3FM Serieus Request is een makkie. Actief deelgenoot worden van de protesten tegen de overheid niet. En daarin zit ‘m juist het verschil, betoogt Gladwell. Komt nog eens bij dat internet net zo goed bruikbaar is om mensen te onderdrukken als om democratie en vrijheid te brengen.
Althans, dat beweert Evgeny Morozov in zijn recent verschenen boek The Net Delusion: How Not To Liberate The World. Morozov is jong, 26 pas, en oorspronkelijk afkomstig uit Wit-Rusland. Hij heeft zich in de Verenigde Staten, z’n nieuwe thuisland, inmiddels opgewerkt tot de nachtmerrie van alle nieuwe media-optimisten. Met succes. De waslijst van (voormalige) werkgevers is imposant, al stelt zijn boek iets teleur. Te zwartgallig. Of, zoals Britse krant The Guardian opmerkt: hij is net zo pessimistisch over de zegeningen van nieuwe media als over mensen zelf. Toch snijdt zijn kritiek op cyber- en techno-utopieën hout. Het internet kan een Trojaans paard zijn dat vrijheid van binnenuit bestrijdt. Door die kant van nieuwe media te ontkennen, wordt ze er alleen maar gevaarlijker op. En tja, op zo’n boodschap zit de gemiddelde mediamaker en -consument niet wachten. Ook Hillary Clinton niet. Ooit was Douglas Rushkoff, geboren in 1961, zo’n cyber-utopist die Morozov in zijn boek te grazen neemt.