journalistiek, pop

Leon Verdonschot: altijd op zoek naar het verhaal (uit de oude doos)

Regelmatig post ik hier interviews en artikelen van mijn hand die enkel verschenen op papier. In 2005 of 2006 interviewde ik Leon Verdonschot voor een speciale jubileumuitgave van Playground, het periodiek van Stichting Popmuziek Limburg. Het resultaat heb ik nooit gezien. Misschien omdat mijn woonplaats in de tijd om de paar maanden wisselde. Énfin, fijn interview met een goede journalist. Fotograaf Diederik Meijer maakte prachtige foto’s. Die zijn helaas niet meer in mijn bezit.

“Ik heb een zwak voor mensen die consequent hun eigen weg kiezen, hoe moeilijk dat ook is.”

Zes jaar geleden verruilde Leon Verdonschot de Westelijke Mijnstreek voor Utrecht om er zijn journalistieke carrière verder uit te bouwen. Zijn onlangs verschenen boek Hart Tegen Hart, Rock’n Roll Ontmoetingen bevat verhalen en interviews uit die periode. “Mijn moeder vindt het gewoon een hobby waar ik geld voor krijg. Dat klinkt als een cliché, maar ze heeft wel gelijk.”

Nou ja, hobby. In ieder geval ziet Leon Verdonschot zijn werk niet als, ehh, werk. Op Oeverloos – het radioprogramma dat hij elke zondag presenteert op Kink FM – bijvoorbeeld verheugt hij zich al op de zaterdagavond. Grinnikend: “Het is wel lastig voor me om maat te houden, juist omdat ik het zo leuk vind om te doen.” In Oeverloos interviewt Verdonschot (31) twee uur lang bekende en minder bekende Nederlanders. Muzikanten, kunstenaars, politici, BN’ers, iedereen sleept hij er voor de microfoon. “Dat kost me wel een groot deel van de zaterdag aan voorbereiding”, verzucht hij. Die goede voorbereiding is een van de kenmerken van zijn manier van werken. Voor hij op pad gaat of samen met zijn gast in de radiostudio plaatsneemt, verzamelt hij alle beschikbare informatie. Dat kost nogal wat tijd maar is noodzakelijk voor een goed interview, meent Verdonschot. En ach, met een beetje structuur is het prima te doen. “Elke ochtend begin ik met het maken van een lijstje van zaken die ik die dag ga doen.”

Behalve op de dag van zijn interview met Playground. Drie kwartier te laat arriveert hij op de afgesproken plaats, de Winkel van Sinkel in hartje Utrecht. Helemaal vergeten, verontschuldigt hij zich. Over een aantal dagen vertrekt hij naar Hongarije voor een lange vakantie. De komende dagen staan daarom in het teken van het afronden van wat kleine dingen. En daar horen geen lijstjes bij. Trouwens: “Limburgers zijn altijd te laat”, grapt hij. Op de laatste zes Utrechtse jaren na woonde Verdonschot zijn hele leven in Geleen. Een ramptoerist voelt hij zich tegenwoordig in dat “winderige gat zonder sfeer”. Maar begin jaren tachtig gebeurde er nog redelijk wat. Hij beleefde er zijn eerste liveconcert in de plaatselijke Hanenhof. “Little Steven!”, vertelt hij enthousiast, “Dat was in 1982. Ik ben er samen met mijn toenmalige oude buurman heen geweest. Er stond de volgende dag een slechte recensie van dat concert in Dagblad De Limburger. ‘Little Steven spartelend ten onder’ stond erboven. De dag daarna werd het kantoor van de krant beklad. Dat vond ik toen erg gaaf.”

Jeugdig activisme
Aan popjournalistiek dacht de kleine Verdonschot toen nog niet. Al koos hij na de middelbare school wel voor de studie journalistiek in Tilburg. Toch bleef het veranderen van de wereld en het prediken van de revolutie belangrijk dan de journalistiek. Om zijn functie als voorzitter van Dwars – de jongerenorganisatie van Groen Links – te blijven vervullen, bleef hij in Geleen wonen. “Elke ochtend nam ik de intercity naar Tilburg van negen over zeven in Geleen-Oost. Ik was destijds echt verschrikkelijk pretentieus. Op de opleiding werd ik vaak geïnterviewd door medestudenten. Dan vertelde ik dat ik journalistiek studeerde om de wereld te veranderen en dat gebruik wilde maken van de massamedia om mijn boodschap over te brengen.” Die houding veranderde tijdens zijn eerste stage bij Dagblad De Limburger. Hij organiseerde nog steeds acties – nu voor actiegroep Rebel – en schreef er later lovend over in de krant. Dat brak hem uiteindelijk op. Activisme en journalistiek gaan niet samen, vond zijn toenmalige chef. Hij stelde Verdonschot voor de keuze. “Dat vond ik toen een reactionair standpunt.”

Uiteindelijk koos hij voor de journalistiek. De enige juiste keuze, vindt Verdonschot nu. “Zonder zekerheden over hoe de wereld eruit ziet, moet je je steeds meer gaan afvragen hoe de dingen in elkaar zitten. Dat past veel beter bij me dan de hele dag vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Ik ben nog steeds links, maar niet zo star als dat ik was. Gelukkig maar, anders was ik waarschijnlijk een heel erg verbitterd, star en humorloos mens geworden.” Aan de andere kant: dat jeugdig activisme hoort er gewoon bij. Ook dat heeft hem gemaakt tot wie hij nu is. “Ik heb er juist heel veel van geleerd. Ik heb geen wetenschappelijke opleiding gehad, dus dat meer theoretisch denken heb ik in die tijd ontwikkeld. Denken in doelen, strategie ontwikkelen, samenwerken met anderen, omgaan met het spanningsveld tussen compromissen en vasthouden aan je principes, noem maar op.” Na zijn stage bij De Limburger ging Verdonschot meteen freelancen. Hij bleef schrijven voor de krant, ging reportages maken voor Omroep Limburg, belandde in de redactie van popblad Watt (inmiddels ter ziele) en ging schrijven voor Fret.

Uit de kleren
Toen kwam Nieuwe Revu. Verdonschot wilde er heel graag stage lopen, maar op de hogeschool werd hem dat afgeraden. De studenten voor hem hadden er zware onvoldoendes gekregen. Daar had hij geen boodschap aan. “Bij Revu was het hek echt van de dam”, vertelt hij enthousiast. “Ik was gretig, vond het fantastisch en stak er heel veel tijd en energie in. Ik was iedere dag de eerste die kwam en de laatste die wegging.” Dat leverde hem uiteindelijk een negen als eindbeoordeling op. Een vaste baan zat er echter niet in dus bleef Verdonschot op freelance-basis voor Revu werken, naast zijn andere werkgevers. Tot zes jaar geleden. Voor een themanummer schreef Verdonschot samen met collega Ico van Rheenen over de meest extreme seksfeesten van Nederland. Van Rheenen haakte af, Verdonschot ging door. “We zouden eigenlijk alles samen doen, hadden we afgesproken. De Rotterdamse homoclub Shaft had een feest waarbij je alleen je t-shirt aan mocht houden. Dat gold ook voor ons. Dat ging Ico te ver. Ik ben wel gegaan.” Het leverde uiteindelijk een extreem en goed verhaal op. De toenmalige adjunct-hoofdredacteur kon niet anders concluderen: ‘wie voor ons uit de kleren gaat, kunnen we geen baan weigeren.’ Verdonschot nam met pijn in het hart ontslag bij De Limburger, stopte met werken voor zijn overige opdrachtgever en verhuisde naar Utrecht. “Dat was voor mij al een hele grote stad, maar heeft wel nog steeds de charme van de overzichtelijkheid. Het is eigenlijk een grote provinciestad.”

Figurant
Inmiddels werkt Verdonschot niet alleen voor Revu, maar schrijft hij ook regelmatig voor De Groene Amsterdammer, Playboy en het literaire tijdschrift Passionate. Tevens maakt hij wekelijks twee uur radio bij Kink FM. Slechts een klein deel van de verhalen en interviews die hij de afgelopen jaren schreef, zijn terug te vinden in zijn eerste (hij schreef al eens een boek over de Heideroosjes samen met Revu-collega Guuz Hogaerts) verhalenbundel Hart Tegen Hart. Het samenstellen daarvan was nog behoorlijk lastig, bekent Verdonschot. “Veel verhalen zijn inmiddels gedateerd of ik vind ze zelf niet meer goed genoeg.” Uiteindelijk is Hart Tegen Hart een verzameling verhalen over rock’n’roll geworden, over mensen die kost wat kost hun eigen weg blijven volgen. “Daar heb ik een zwak voor. Mensen die niet ten onder gaan in de massa, maar af durven te wijken en doen wat ze willen doen. Consequent hun eigen weg kiezen, hoe moeilijk dat ook is.” Dat is precies wat Frans Bauer en Peter Pan Speedrock met elkaar gemeen hebben, meent hij. Niemand die dat treffender in woorden kan vatten dan Verdonschot. De manier waarop verhalen vertelt, is voor Nederlandse begrippen uniek. Hij kruipt als het ware in de huid van de ander, maar is in het verhaal ook de aanschouwer. Dat verre neefje dat er op familiefeestjes altijd bij is maar waarvan je niet weet hoe hij eigenlijk heet.

Dat is de kracht van Verdonschot: zichzelf zo op de achtergrond plaatsen dat niemand hem meer bewust waarneemt. “Ik ga daar heel ver in. Het kost me veel energie, ook lichamelijk. Het is eigenlijk als een film waarin ik een figurant ben. Er moet heel veel vertrouwen zijn. Dat onzichtbare moet je namelijk niet letterlijk nemen. Ze moeten me zien als iemand die bij de familie hoort, ze moeten het gevoel hebben dat ik wellicht stukken ga opschrijven die zij er eigenlijk niet in willen hebben maar dat ik dat niet doe om ze te bezeiken. Dat is zeker geen afstandelijke journalistiek. Er is juist totale betrokkenheid van mijn kant.”

Geen vlees, geen bier
Dat levert prachtige verhalen op. Over de zelfmoord van Richie Backfire! bijvoorbeeld, het opportunisme en de twijfel van Frans Bauer en het harde, soms trieste leven op tour van Peter Pan Speedrock en The Spades. Alle verhalen hebben iets moois maar tegelijkertijd iets tragisch. De hoofdpersonen zijn sterk én kwetsbaar. Allemaal accepteren ze dat Verdonschot hen constant op de vingers kijkt. Het is vooral een kwestie van oprecht geïnteresseerd zijn in iemand. “Wanneer ik met Gordon op pad ben laat ik hem niet merken dat ik zijn muziek niks vind. Vind ik ook niet interessant, ik wil juist weten wie Gorden is en waarom hij zo is.” Zich helemaal aanpassen doet Verdonschot overigens niet. Zijn eigen waarden en normen blijft hij altijd trouw. Vooral de eerste dag op tour met een rock’n’roll band zorgt dat voor hilarische momenten. Verdonschot is namelijk vegetariër én drinkt geen alcohol. “Eerst komen tien glazen bier langs, dan tien hamburgers”, grapt hij. “Als het duidelijk is dat ik niet vroeg ga slapen is het al snel geen punt meer.” Een popjournalist is hij niet, vindt hij. Wel een algemeen journalist die ook met popmuzikanten spreekt. Al blijft popmuziek zijn grote passie. Bon Jovi, Bruce Springsteen, Little Steven, Fish en Ignite. Daar krijgt Verdonschot nog steeds koude rillingen van. “Laatst bij Bruce Springsteen in de Ahoy twee uur lang een brok in de keel. Of ik me dan laat gaan? Natuurlijk! Het is er toch donker, ziet dus niemand.”

Met Limburgse bands en muzikanten voelt hij toch een speciale band. “Die volg ik altijd wat intensiever. Favorieten? Transpunk! Maar ook Heideroosjes, Right Direction en Born From Pain.” En Limburg zelf? “Ik heb me er altijd een buitenbeentje gevoeld. Hier in Utrecht trouwens ook, maar dan toch net iets minder. Ik ben wel heel graag in Limburg. Als ik aan stuk wil werken dan ga ik graag naar Maastricht. De mooiste stad die ken! Het leven is er trager, gemoedelijker. Er zijn minder prikkels die om mijn aandacht vragen. Heerlijk vind ik dat. Maar na een aantal dagen begint me dat juist weer op mijn zenuwen te werken en wil ik terug naar Utrecht.”

Verschenen in 2005 of 2006 in Playground, een uitgave van Stichting Popmuziek Limburg

Standard
journalistiek, kritiek, OOR, pop

Waarom OOR en ik afscheid nemen

In november schrijf ik mijn laatste recensies voor OOR. Daarna neem ik afscheid van het tijdschrift waarvoor ik het afgelopen decennium met veel plezier heb geschreven. OOR is een mooi blad, maar we passen niet meer bij elkaar. Ik ben veranderd.

Doe wat je zegt, schreef ik ergens in maart naar aanleiding van een lezing die ik hield bij 3VOOR12/Arnhem. De consequentie durfde ik destijds niet te trekken. Nu wel.

Begrijp me niet verkeerd: de vijf tot zes recensies die ik maandelijks voor OOR schrijf? Doe ik met heel veel plezier. Het langere artikel dat een keer per jaar van mijn hand verschijnt? Net zo. Ik vind schrijven voor OOR leuk. Heb dat het afgelopen decennium gedaan. Maar het geeft me gewoon geen voldoening meer. Ik schrijf er in en voor de marge. Voor de indie- en rockliefhebbers die óók geïnteresseerd zijn in dance. Dat vind ik te weinig. Ik zie in de website van OOR een enorm potentieel. OOR kan er het debat over popmuziek op het web mee domineren. Door knap in te spelen op de actualiteit, door sterke columns, sterke meningen. Zoals The Guardian dat zo goed doet. Maar dat doet OOR niet. En ik begrijp volkomen waarom.

Toch: ik vind het jammer. Dat ligt aan mij. Ik pas niet meer zo goed bij OOR als vroeger. Ik wil meer, maar ben juist minder gaan schrijven. Logisch, ik ben immers een niche-schrijver. Die rol heb ik lang genoeg vervuld. Het wordt tijd voor iets anders.

Mensen die mij kennen, weten dat ik niet veel opheb met de staat van de Nederlandse popjournalistiek. Niet dat ik vind dat bestaande journalistieke initiatieven anders moeten. Ik ben zeer tevreden met OOR, DJ Broadcast, KindaMuzik, Eclectro en al die anderen. Veel eerder verbaas ik me over en erger ik me aan de manier waarop media als De Groene Amsterdammer en NRC met popjournalistiek omgaan. Dat is niet van het niveau Süddeutsche Zeitung en Der Spiegel, zeg maar. Je daar druk over maken is zinloos. Nederland is geen Duitsland.

Dan zijn er twee mogelijkheden. Proberen aansluiting te zoeken met de journalistiek in Nederland, waar ik niets mee heb, of gewoon kappen. Dat laatste klinkt me het meest aanlokkelijk in de oren. Er is geen enkel betaald medium in Nederland waar ik mijn reisverslagen uit Duitsland, dat ik momenteel schrijf voor frnkfrt, kwijt zou kunnen. Of mijn ‘Kids are Allright’-artikel. Laat staan mijn boekrecensie van het laatste boek van Geert Lovink of mijn uitgebreide duiding van ‘Kindred EP’ van Burial. De conclusie is eenvoudig: doe daar dan ook geen moeite voor. Schrijf en publiceer zelf. Staat geen geld tegenover, dat klopt. Maar daar kom ik wel overheen.

De toekomst van schrijven over pop ligt in het curatorschap, schreef ik eerder. Dat klopt. Er zijn steeds meer kleine maatschappijen die liever een recensie op dit blog willen dan in OOR. The Guardian begrijpt die trend. Biedt z’n schrijvers een blog aan om zelf bij te houden. Dat is, wat mij betreft, de toekomst van journalistiek. Zeker over popmuziek.

Nederland loopt daarin mijlenver achter bij Engeland en Duitsland. Hier is popmuziek en popcultuur geen onderscheidend gebied. De Groene Amsterdammer schrijft over Peter Sloterdijk én over Bruce Springsteen, het blog van NRC Next doet het met Lady Gaga. Ik zou zweren dat beide media toch echt een lezerspubliek hebben dat een andere popsmaak heeft. Maar goed, ik zit er waarschijnlijk naast. En ik denk te veel in bestaande media. Door de huidige elektronische media heb je die als curator of journalist, zo je wilt, niet meer nodig.

En daarom richt ik me vanaf nu op mijn eigen lezerspubliek. Dat ik overigens al jaren geleden gevonden heb. Met de tijd die ik overhoud, kan ik dat publiek beter bedienen. Mijn blog en frnkfrt zijn daar ideale middelen voor. John Doran van The Quietus bevestigde de afgelopen week deze gedachte. Het is beter een niche te vinden dan met de grote jongens mee te willen doen en jezelf daardoor aan te moeten passen. Goede gedachte.

Wees overigens gerust: mijn tweemaandelijkse bijdrage aan Gonzo (circus) blijft bestaan. Evenals mijn bijdragen aan ZuiderLucht.

Standard
creatieve industrie, dance, journalistiek, kritiek, nieuwe media, pop

Duitslandreis halte #2: krautrock, mode en de theorie van popmuziek

Een betere gids dan Michael Wenzel kun je onmogelijk wensen. Zelfs in de stromende regen, na een hele dag door de stad sjouwen, hang je aan zin liepen. “En hier stortte hij in elkaar!”, steekt Wenzel zijn handen theateraal omhoog. We lopen door Düsseldorf en volgen de laatste route die Wolfgang Riechman liep door zijn stad. Een ontmoeting met twee net vrijgekomen criminelen werd hem fataal. De autoriteiten dacht dat ie dronken was terwijl hij in werkelijk met een stiletto in de borst werd gestoken. In het ziekenhuis bloedde hij langzaam leeg. Het uitkomen van zijn debuutalbum maakte hij niet meer mee.

Lees verder bij frnkfrt.

Standard
Eutropolis, heerlen, journalistiek, nieuwe media, pop, poptropolis

MijnPop van start

Dat moest er eindelijk eens van komen: MijnPop. Mijn tweede jaar in Heerlen is zwaar geweest. Ik stapte uit SocialBeta, droeg de hoofdredactie van ZwartGoud over aan Harry Prenger en had daardoor voor mijn gevoel geen band meer met de stad. Dat klinkt raar, is het niet. Althans voor mij. Zomaar ergens wonen is aan mij niet besteed. Ik wil ergens onderdeel van zijn, iets bijdragen.

De afgelopen jaren heb ik dat in Haarlem en Amsterdam gedaan. Ook in Rotterdam lukte dat aardig (cut-up.feest in Worm, bijvoorbeeld of spreken over undergroundcultuur in een bomvolle zaal van Café De Unie). Heerlen is lastiger. Mijn werk bevindt zich immers ver weg. Daarbij: een band met een stad ontstaat niet zomaar, die moet groeien. Na een fraaie Zachte G-dag had ik een te rooskleurig idee van de cultuur in de stad. De culturele elite is er heel erg klein en heeft de neiging het alleen elkaar naar de zin te maken. Dat is beetje jammer, want 95% van de inwoners van de voormalige Oostelijke Mijnstreek behoort niet tot die elite.

Komt bij dat ik waarschijnlijk altijd een buitenstaander zal blijven. Ik heb nu eenmaal een manier van werken en communiceren aangeleerd dan gangbaar is in Heerlen.

Na ZwartGoud ging ik terug naar ZuiderLucht. Te gek blad, maar ik weet dat ik er niet, zoals bij ZwartGoud, dieper in de popcultuur van Heerlen en omgeving kan doordringen. Dilemma dus. Heerlen voorgoed achter me laten en alleen ‘gebruiken’ als slaapstad of een manier verzinnen om wel betrokken te raken bij échte cultuur in de stad. Mijn eerdere idee om de pophistorie van de voormalige oostelijke mijnstreek in kaart te brengen stond ook nog in de ijskast, nadat ik erg teleurgesteld was over de reacties.

Een maand geleden leidde ik een groep van bijna veertig studenten van de Vrije Universiteit van Brussel en de katholieke Universiteit van Leuven rond langs de rafelranden van de stad. Zij en ik proefden van de echte cultuur die Heerlen heeft te bieden. Ik was om. Er moest een nieuw platform komen dat enkel en alleen draaide om popcultuur in de breedste zin van het woord. Een platform ook dat prima kan bestaan naast ZwartGoud, ZuiderLucht en De Afgrond. Elkaar beconcurreren is immers behoorlijk zinloos.

Vandaag ben ik gestart met MijnPop. Lekker goedkoop op een gewone wordpress en een niet-aangepaste theme. Doe ik anders nooit. Nu wel. Zien waar het schip strandt. Eerste stukje gaat over Weightless van Oby Nine, zeg maar de regionale Weeknd. Helaas woont ie ook deeltijd in Rotterdam. Uiteraard kan ik hulp gebruiken, al moet ik er wel bij zeggen: MijnPop moet uitgroeien tot een professioneel platform. En popcultuur is voor mij heel breed: muziek, comics, internetcultuur, levensliederen, graffiti, straatkunst, breakdance, noem maar op. Laat me je ideeën vooral weten.

Oh ja, hier vind je MijnPop: MijnPop.wordpress.com.

Standard
journalistiek, nieuwe media, oude media

Doe wat je zegt

Een week geleden pakte ik m’n Freitag voor een dagje Arnhem. Heeft consequenties gehad. Voor mij, dan. Doorgaans houd ik lezingen over relatief abstracte onderwerpen: de toekomst van de muziekindustrie, fotografie in tijden van nieuwe media, de soundtrack van de gebroken stad, de sociologie van innovatie, de opkomst van dance-muziek. Op Gesel XL, een tweedaags popfestival georganiseerd voor 3voor12/Gelderland sprak ik over de toekomst van de popjournalist. Mijn verhaal zette heel wat aanwezigen aan het denken, zo bleek achteraf. Ook ik kreeg mijn eigen verhaal niet meer uit mijn hoofd.

Drie jaar geleden haalde ik Andrew Keen, auteur van The Cult Of The Amateur, van de trein. In de metro spraken we over vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule. Het klikte. Ik vertelde Keen dat ik schreef voor traditionele media die moeite hadden de stap naar het nieuwe mediatijdperk te maken. Keen lachte, sloeg me op de schouders en zei: “die media heb je helemaal niet meer nodig.” Word je eigen merk, adviseerde hij me. Voor het te laat is. Als de netwerkmaatschappij doorzet? Dan kun je je niet meer verschuilen achter die ouderwetse kranten en tijdschriften. Die overleven het misschien, misschien niet.

Jezelf neerzetten als merk? Dat klonk me fout in de oren. Daarbij was ik een van de vier genomineerden voor de Pop Media Prijs 2009. Die won ik, uiteraard, niet. Die nominatie had ik te danken aan het sterke underground-merk cut-up, dacht ik. Dat denk ik nog steeds. Ik ben van de merken-generatie. Als klein jongetje stond ik voor de spiegel met een omgekeerd tennisracket in de had. Ik zong mee met ‘I Was Made For Loving You’ van Kiss, maar droomde stiekem van een carrière als popjournalist. Bij OOR. Nou ja, eigenlijk eerst bij Aardschok. Wist ik veel. Die carrière kwam er. In het eerste decennium van deze eeuw heb ik aardig kunnen leven van de (pop)journalistiek. Inmiddels heb ik een aardige naam opgebouwd als ‘kenner’. Daar kun je iets mee doen.

En dat is precies wat Keen beweerde. In zijn nieuwe boek Digital Vertigo, dat in mei gaat verschijnen, legt hij uit hoe de nieuwe mediawereld er uit gaat zien. Ik ben nog bezig in het eerste hoofdstuk. Keen gaat er een stuk diepgravender en theoretischer te werk dan in The Cult Of The Amateur, dat meer een lang pamflet leek. En ja, nu snap ik Keen. De traditionele media waarvoor ik werk willen en kunnen nieuwe media niet begrijpen. Trekken aan een dood paard is een heilloze missie. Erg? Misschien niet. Een titel als OOR kan verder als enkel papieren blad. Het internet zoals we dat nu kennen wordt immers langzaam weggeduwd door de wereld van de apps. OOR als app én papieren blad, dus. Datzelfde geldt voor Gonzo (circus): kleine, kritische én loyale lezersgroep. Komt dus wel goed, ook zonder goede aanwezigheid op het web.

Een week geleden vertelde ik in Arnhem over het nieuwe curatorschap. De journalist als spil in zijn of haar eigen netwerk. Hoe groot dat netwerk is? Doet er niet zoveel toe. Zolang je maar weet wat je netwerk wil.

Zeven regels stelde ik op om het nieuwe curatorschap tot een succes te maken:

1. Kies een duidelijke niche
2. Maak duidelijke en heldere keuzes
3. Combineer verschillende media
4. Ben oprecht
5. Ben persoonlijk
6. Doen niet alles, wil niet alles doen
7. Ben de spil in je netwerk

De beelden van de presentatie, dus zonder mijn gesproken verhaal, kun je hieronder bekijken. Ik overtuigde niet alleen een deel van de aanwezigen, maar ook mezelf. Het gaat me veel tijd kosten, ik zal dit blog vervloeken, maar dit blog wordt een belangrijke plek in mijn eigen netwerk als curator. Misschien wel dé belangrijkste plek. Dat betekent nogal wat. De laatste tijd doe ik bitter weinig met dit blog. In feite is het nu niets anders dan een verwijzingsmiddel naar mijn stukken bij Frankfurt, OOR, Gonzo (circus), ZwartGoud en Joop. Vanaf komende maandag zijn de rollen omgedraaid. Dan is dit blog het belangrijkste. Gaat veel tijd kosten. Die ik niet heb. Maar toch. Wie een lezing geeft over het nieuwe curatorschap, moet zelf nóg meer aan de bak. Inderdaad: doe wat je zegt.

Standard