dance, recensie

Op naar de jungle-revolutie

En daar is opeens inspiratie. Hoop dat ie nu blijft. Aanleiding? Het nieuwe album van Congo Natty waarvan de promo al sinds begin juni in mijn bezit is. Afgelopen half jaar genoeg goede plaatjes gehoord waar ik graag iets over had geschreven. Dat lukte niet. Uren staarde ik naar een iA Writer-document. Nu tik ik alsof mijn leven ervan af hangt.

Natuurlijk, één vogel maakt geen zomer. Ik hoop dat de inspiratie me nu niet weer in de steek laat. Als ie blijft dan denk ik erover na om dit blog in te ruilen voor eentje bij Medium. Wat vinden jullie, mijn lieve lezers, daarvan?

Goed, naar de aanleiding van deze eerste echte blogpost sinds 28 april: Congo Natty, eerst bekend onder de naam Rebel MC. ‘Jungle Revolution’ is geen vernieuwend album. Eerder ouderwets. Old school. Maar oh wat is dit album goed. Michael West – Mikail Tafari, Rebel MC en Congo Natty, dus – draait al mee sinds eind jaren tachtig. Vanuit Tottenham, Londen stond hij aan de basis van de eerste jungle. Zijn ‘Street Tuff’ wordt algemeen gezien als de geboorte van grime. West is een echte rastafari. ‘Jungle Revolution’ is doordrenkt met subtiele verwijzingen naar Haile Selassie. Daar blijft het niet bij, want ‘Jungle Revolution’ is een, ik schreef het al, old school jungle-album vol activisme en verwijzingen naar de kracht van muziek om cultureel-maatschappelijke problemen op te lossen.

Is dat niet een beetje ouderwets? Ja, ergens wel. Maar ook weer niet. Tijdens mijn verblijf in Birmingham afgelopen zomer viel me op hoe ontzettend diepgeworteld de Britse klassenstructuur is. De haat en nijd naar andere groepen komt overal naar boven, ook in een typische pub vol hoogopgeleide muzikanten en kunstenaars. Als de alcohol rijkelijk vloeit, komen de tongen los. In Birmingham (en misschien wel in heel Engeland) is alcohol het ultieme verdovingsmiddel tegen de problemen waarmee het land cultureel kampt.

Af en toe komen die problemen toch naar boven, zijn ze niet te verdoven. Zoals twee jaar geleden toen de vlam in de pan sloeg in de buitenwijken van Londen, onder andere in het Tottenham van West. ‘Jungle Revolution’ is een politieke plaat. West toast over de kortzichtigheid van de Britse blanke onderklasse ten aanzien van immigranten en over de noodzaak om opstaan als strijder. Maar bovenal gaat dit album over kracht van muziek. Daarvoor roept West de hulp in van een handvol zangeressen. Daar blijft het niet bij. Dubpioniers Adrian Sherwood en Skip McDonald doen mee.

Productioneel kun je ‘Jungle Revolution’ door een ringetje halen. Muzikaal keert West, die de afgelopen jaar steeds een beter meer opschoof richting techno en hiphop, terug naar zijn roots: reggae en dub. En jungle natuurlijk. Nu is drum’n’bass weer eens springlevend. Dubstep heeft zich inmiddels vertakt in een ontelbaar aantal genres met uitersten als future garage en brostep (of trap, zo je wilt). Waar die genres op geen enkele manier echt weten te raken – omdat ze te introvert zijn of zo schreeuwerig dat niets overblijft – ontploft dit album in je oren.

De diepte, de kracht, de woede, de emotie is direct voelbaar. Precies ja, dat was destijds ook de kracht van jungle en vroege drum’n’bass. In ‘London Dungeons’, dat verrassend genoeg goed aansluit bij de hedendaagse muzikale trends, voel je de lastige situatie waarin immigranten in Londen leven. Dat is verdomde knap. Daar tegenover staan geweldige jungle-tracks als ‘Get Ready’ en het rauwe ‘UK Allstars’ die de energie van midden jaren negentig terugbrengt en het aan nu refererende ‘Microchip’, dat tekstueel smullen is: Babylon gekoppeld aan chips, hoe mooi wil je ‘t hebben?

Waar Kevin Martin met zijn dubprojecten aan de experimentele kant blijft, daar grijpt West als Congo Natty terug op de toegankelijke, volkse kant en het zal mij niet verbazen als dit album populair gaat worden. Juist omdat het laat horen dat bass music ook écht goed kan klinken en dat brostep of trap toch echt ontzettend slappe aftreksels zijn van de echte dub-sound. Laat die jungle-revolutie maar komen.

‘Jungle Revolution’ van Congo Natty is verschenen bij Big Dada Sound, distributie door Ninja Tune.

Standard
dance, pop

Popnoname en zijn melancho-pop

Het is veel te lang stil geweest rond Popnoname, het alter-ego van Jens-Uwe Beyer. Logisch. De Keulse producer heeft zich de afgelopen jaren bezig gehouden met andere zaken. Zo richtte hij samen met Barnt en Crato platenlabel Magazine op. Zonder meer een van de interessantste labels van dit moment. Ook is hij lid van Cologne Tapes, een allegaartje van bekende en minder bekende muzikanten uit Keulen en betrokken bij platenmaatschappij Kompakt. Bezigheden op het snijvlak van popmuziek en avant-garde. Onder zijn eigen naam maakt Jens-Uwe Beyer prachtige ambient. Eind vorig jaar verscheen het prachtige ‘Red Book’ bij Magazine. Elk jaar is hij vertegenwoordigd op de ‘Pop Ambient’-reeks van Kompakt.

Popnoname is pop zoals pop hoort te klinken: vrolijk, zoet, melancholisch en met scherpe randjes. Scherpe randjes als, oh cliché, de doornen van een roos: je verwacht het niet bij zoveel schoonheid, die prikkende uitstulpsels. En plots is daar bloed. Totaal onverwacht. Dat hoort pop dus ook te doen. De pop van Popnoname doet precies dat. Vanaf zijn doorbraak met ‘You Are Popnoname’ uit 2006 op het Düsseldorfse platenlabel Italic, maakt Jens-Uwe pop om je vingers bij af te likken. In mijn recensie van zijn debuutplaat ‘White Album’ (2007) vergeleek ik hem met Pet Shop Boys,  ‘Surrounded By Weather’ (2008) is nog meer dan het debuut een ultieme popplaat. Soms zo suikerzoet dat alleen de échte popconnaisseur weet dat het materiaal puur goed is. Het album scoorde bijzonder hoog in mijn eindlijst dat jaar.

Die Jens-Uwe is er dus een tijd niet geweest.

En ja, ik heb hem gemist. Weet ik nu. Want nu is er een nieuwe single: ‘Change’. En verdomd, wat is dat nummer fraai. Typisch Popnoname ook. Want onvaste stem, catchy en mierzoete melodie en een aanstekelijk refrein. Kortom, pop waar de stad Keulen inmiddels bekend om staat. Oordeel zelf. Nu is het wachten op die derde langspeler.

Popnoname Change by Uldus Production from Uldus Bakhtiozina on Vimeo.

Standard
dance, OOR

OOR-jaarlijst 2012

Waarschijnlijk het laatste jaarlijstje van OOR waar ik aan bijdraag. Misschien maar goed ook. Geen enkele van de door mij genoemde albums is terecht gekomen in de algemene top-25. Dat betekent dat ik niet eens een interessante niche vertegenwoordig, maar ‘somewhere out there’ ben. Mijn voeling met de OOR-lezer en de rest van popjournalistiek Nederland is nagenoeg nul. Mijn nummer één – Kindred EP van Burial – werd door niemand anders genoemd. Tot overmaat van ramp ontbreekt het lijstje van Jacob Haagsma. Geen idee waarom. Beste album volgens 55 Nederlandse popjournalisten, radiomakers en bloggers is het album van Alt-J. Geen slecht album, maar de hype volstrekt niet waard. Vind ik. Kortom, afscheid bij OOR en de Nederlandse popjournalistiek in mineur. Door de achterdeur naar buiten, zeg maar. En dat is alleen al om bovenstaande reden goed.

Staan er albums in de top-25 waarover ik heb getwijfeld? Ja. Drie: die van Metz, Chromatics en Beach House. Maar er waren sowieso tientallen andere albums die kans maakten op een plekje in mijn top-10. De top-25 van OOR staat hier.

De top-10 die ik inleverde is samengesteld met de volgende beperking: ik ben bij OOR één van de specialisten in elektronische dansmuziek en dus heb ik me daar vooral op gefocust. In januari publiceer ik hier nog een lijstje van de voor mij beste albums van 2012. Nu houd ik bij het voor OOR samengestelde lijstje. Met de kanttekening dat met de kennis van nu de nieuwe Andy Stott er zeker in had gestaan.

1. Burial – Kindred EP
Op dit korte album verklankt Burial wat David Toop zo mooi ‘hauntology’ noemt: een soort angst voor iets dat niet zichtbaar is. Een soort existentiële angst voor het andere, de ander. Waar zijn debuut kon dienen als troost, daar maakt Kindred duidelijk: er is geen verlossing. Daar is geen ontkomen aan. Het geluid slokt je langzaam op als dichte mist. En dan is het te laat. Dan zit Burial al onder de huid. Is ontsnappen onmogelijk. De venijnige sfeer die hij neerzet is subtiel: gekraak van vinyl en glitch zijn een constante. Z’n beats klinken aangevreten, kapot. Dat benadrukt hun doelloosheid.

2. Die Heiterkeit – Herz Aus Gold
Op Herz Aus Gold, niet zomaar een referentie aan het klassieke album van Neil Young, grossiert deze Hamburgse band in rammelpop die een argeloosheid en gelatenheid uitstraalt die doet denken aan die op Slanted & Enchanted, het legendarische debuut van Pavement. Toch is dit album typisch Hamburg. De combinatie van indie en diepgaande teksten passen perfect in de traditie van de Hamburger Schule die in de jaren negentig bands als Blumfeld en Tocotronic voortbracht. Vooral aan die laatste band is Die Heiterkeit schatplichtig. Wie het aandurft in Herz Aus Gold te verdrinken hoort geen rammelende band meer, maar de soundtrack voor puur geluk. Van prettige verveling, van lome herfstdagen waarop van alles kan maar niets moet. Ideale muziek ook om te ontsnappen van de hypes van het moment

3. Shed – The Killer
Naar samenhang is het vruchteloos zoeken op The Killer. Diepe techno, industrieel beukwerk, ambient, asynchrone breakbeats, post-rave, ja zelfs een vleugje UK garage komt langs. Maar altijd subtiel. Follow The Leader sluit het album af met euforisch pianowerk. Alsof Pawlowitz wil zeggen: er is altijd hoop. The Killer is een zoektocht naar de euforie van het verliezen en uiteindelijk hervinden van jezelf. Kortom: naar de essentie van dansmuziek. En daarin gaat Pawlowitz dieper dan ie ooit is gegaan.

4. Juju & Jordash – Techno Primitivism
Elk van de vijftien nummers op dit album zou zo op de compilatie van Salon Des Amateurs, de hipste club van Duitsland, kunnen staan. Daar bestaan heden, verleden en muzikale hokjes niet. Net zoals op Techno Primitivism. Met techno heeft het werk van de twee in Amsterdam woonachtige Israëliërs steeds minder van doen. Ze vormen hier een organisch krautrock-duo dat de muzikale regels aan de laars lapt. Het resultaat? Een zinderende en dampende anderhalf uur avant-garde waarin echo’s van krautrock, vroege deep house, techno, synthesizer-pioniers, klassieke avant-garde en jazz doorklinken. Toekomstmuziek.

5. Stabil Elite – Douze Pouze
Twintigers uit Düsseldorft die krautrock en Neue Deutsche Welle naadloos met elkaar verbinden zonder oubollig te klinken. Sterker nog: zelden zo’n fris album gehoord. Single Expo is een kruising tussen Depeche Mode en La Düsseldorf, het prachtige, melancholische Milchstrasse groovet in beste jaren tachtig-traditie, Endecomputer citeert schaamteloos uit Autobahn. En dan zijn er nog de teksten die in al hun poëtische pracht het nu bekritiseren.

6. DFRNT – Fading
De muziek van DFRNT is de afgelopen jaren meer opgeschoven van dubstep en future garage naar diepe, trage en dubby house. Van breakbeat naar vierkwartsmaat dus, al komen beide voor op Fading. Dat nieuwe idioom zit hem als gegoten. Sterker: deze bijna een uur en twintig minuten durende tweede kent geen enkele zwakke plek. Komt vooral door de sterke opbouw. Fading begint rustig en euforisch met diepe house en werkt langzaam toe naar trage dubby en vervreemdende breakbeat. De luisteraar is dan inmiddels volledig opgeslokt door de prachtige nummers die zo rijk zijn aan detail dat erin ronddwalen een ware traktatie is.

7. JK Flesh – Posthuman
Dansmuziek, als je het zo kunt noemen, voor de post-menselijke discotheek. Vergelijkingen met het werk van Techno Animal, Godflesh en Scorn (het project van Mick Harris) liggen voor hand. Maar toch: Posthuman is anders, een soort overtreffende trap. Twintig jaar geleden maakte Broadrick al muziek die later de basis vormde voor dubstep. Posthuman is geen dubstep, maar de subsonische bassen vliegen je wel om de oren.

8. Mohn – Mohn
In negen nummers laveren Wolfgang Voigt en Jörg Burger ergens tussen GAS, het bekende ambientproject van Voigt, en introverte techno in. Soms verontrustend rauw en onbehouwen, dan weer zalvend en introvert. Maar altijd is er de finesse van verschillende, pulserende melodie- en ritmelijnen die langzaam dichter bij elkaar komen, elkaar omhelzen en uiteindelijk in het niets te verdwijnen. Laat de luisteraar in verontrusting achter en dat is een prettig gevoel.

9. Roel Funcken – Mercury Retrograde
Op Mercury Retrograde verricht Roel Funcken pionierswerk: hij struint langs subgenres, wikt ze, weegt ze, gebruikt ze, misbruikt ze en kiest daarna zijn eigen weg zonder zich ergens wat van aan te trekken. Funcken kent het bass-genre inmiddels en doet niet mee aan hypes. Hij lonkt naar brostep en bass music, solliciteert naar een plekje naast Flying Lotus en Gaslamp Killer, maar flirt daarna weer net zo intens met de industriële dub van The Bug en abstracte dubstep van het hyperdub-label. Laat er geen misverstanden over bestaan: dit album is wonderschoon.

10. John Talabot – Fin
Talabot uit Barcelona maakt deephouse die diep onder de huid kruipt: warm, traag en vervreemdend. En altijd zijn er die onverwachte details die hij toevoegt: die plots dwingende synthbas, die melodie die net te lang doorgaat, een net niet ontsporende zanglijn, opgeknipte vocalen en onaffe harmonieën. Bij elke luisterbuurt duiken er meer van die details op. Slowmotion disco en de terugkeer van rave-esthetiek.

Standard