kritiek, kunst, pop

pop = kunst #1

Vanaf nu post ik regelmatig pop die subliem is. Sublimiteit is voor mij de essentie van cultuur in de enge zin van het woord. Ooit stond kunst te boek als subliem: ze bleek in staat de aanschouwer te laten zien dat de wereld anders kon zijn dan ie was. Of, zoals Schelling dat zo mooi beschreef, het oneindige te laten zien in het eindige. Popcultuur gold als het tegenovergestelde. Het profane tegenover het goddelijke van kunst.

Inmiddels is het onderscheid tussen kunst en pop irrelevant geworden. De meeste kunst heeft tegenwoordig dezelfde rol als pop, die van opium. Opium verdooft, maakt het leven kortstondig aangenaam en mijdt de confrontatie met de realiteit. Kortom, kunst verbergt, het ware karakter van ‘Das Ganze’, de halfbakken schijnwereld waarin we leven. Ook pop speelt die uiterst dubieuze rol.

Gelukkig is er ook cultuur die wél subliem is, die schuurt, bijt, pijn doet, hevig ontroert, een andere wereld laat zien. Iedereen die mij kent weet dat ik het onderscheid tussen pop en kunst niet meer relevant vind en waarschijnlijk nooit relevant gevonden heb (historisch gezien dan). Waarom dan pop=kunst? Omdat het zo mooi staat. Zie het maar als ironie.

Goed. Pop die subliem is. ‘The Informers’ van Brett Easton Ellis is een van mijn favoriete boeken en zonder twijfel subliem. Samen met Douglas Coupland, Thomas van Aalten, Rob van Erkelens (die maar blijft teren op één geweldig boek), Paul Mennes, Jeroen Olyslaegers, W.F. Hermans en Jan Slauerhoff behoort hij mijn favoriete schrijvers. Boekverfilmingen zijn niet mijn ding. Films doorgaans ook niet. Toch is ‘The Informers’ als film een pareltje. Waarschijnlijk omdat het verhaal niet lijkt op dat van het boek, dat een bundel verhalen is. In de film worden de verhalen knap aan elkaar geknoopt. Filmjournalisten boorden de film overigens finaal de grond in.

Dat levert scenes op die net weer iets anders zijn dan die in het boek. En ja, genoeg sublimiteit. Deze scene bijvoorbeeld: Graham en Martin zitten in een rode Porsche en kijken uit over L.A. en praten over de tragiek van het vrije individu dat onmogelijk om kan met die vrijheid. Kijk en luister mee en kijk die film.

Standard
dance, recensie

Op naar de jungle-revolutie

En daar is opeens inspiratie. Hoop dat ie nu blijft. Aanleiding? Het nieuwe album van Congo Natty waarvan de promo al sinds begin juni in mijn bezit is. Afgelopen half jaar genoeg goede plaatjes gehoord waar ik graag iets over had geschreven. Dat lukte niet. Uren staarde ik naar een iA Writer-document. Nu tik ik alsof mijn leven ervan af hangt.

Natuurlijk, één vogel maakt geen zomer. Ik hoop dat de inspiratie me nu niet weer in de steek laat. Als ie blijft dan denk ik erover na om dit blog in te ruilen voor eentje bij Medium. Wat vinden jullie, mijn lieve lezers, daarvan?

Goed, naar de aanleiding van deze eerste echte blogpost sinds 28 april: Congo Natty, eerst bekend onder de naam Rebel MC. ‘Jungle Revolution’ is geen vernieuwend album. Eerder ouderwets. Old school. Maar oh wat is dit album goed. Michael West – Mikail Tafari, Rebel MC en Congo Natty, dus – draait al mee sinds eind jaren tachtig. Vanuit Tottenham, Londen stond hij aan de basis van de eerste jungle. Zijn ‘Street Tuff’ wordt algemeen gezien als de geboorte van grime. West is een echte rastafari. ‘Jungle Revolution’ is doordrenkt met subtiele verwijzingen naar Haile Selassie. Daar blijft het niet bij, want ‘Jungle Revolution’ is een, ik schreef het al, old school jungle-album vol activisme en verwijzingen naar de kracht van muziek om cultureel-maatschappelijke problemen op te lossen.

Is dat niet een beetje ouderwets? Ja, ergens wel. Maar ook weer niet. Tijdens mijn verblijf in Birmingham afgelopen zomer viel me op hoe ontzettend diepgeworteld de Britse klassenstructuur is. De haat en nijd naar andere groepen komt overal naar boven, ook in een typische pub vol hoogopgeleide muzikanten en kunstenaars. Als de alcohol rijkelijk vloeit, komen de tongen los. In Birmingham (en misschien wel in heel Engeland) is alcohol het ultieme verdovingsmiddel tegen de problemen waarmee het land cultureel kampt.

Af en toe komen die problemen toch naar boven, zijn ze niet te verdoven. Zoals twee jaar geleden toen de vlam in de pan sloeg in de buitenwijken van Londen, onder andere in het Tottenham van West. ‘Jungle Revolution’ is een politieke plaat. West toast over de kortzichtigheid van de Britse blanke onderklasse ten aanzien van immigranten en over de noodzaak om opstaan als strijder. Maar bovenal gaat dit album over kracht van muziek. Daarvoor roept West de hulp in van een handvol zangeressen. Daar blijft het niet bij. Dubpioniers Adrian Sherwood en Skip McDonald doen mee.

Productioneel kun je ‘Jungle Revolution’ door een ringetje halen. Muzikaal keert West, die de afgelopen jaar steeds een beter meer opschoof richting techno en hiphop, terug naar zijn roots: reggae en dub. En jungle natuurlijk. Nu is drum’n’bass weer eens springlevend. Dubstep heeft zich inmiddels vertakt in een ontelbaar aantal genres met uitersten als future garage en brostep (of trap, zo je wilt). Waar die genres op geen enkele manier echt weten te raken – omdat ze te introvert zijn of zo schreeuwerig dat niets overblijft – ontploft dit album in je oren.

De diepte, de kracht, de woede, de emotie is direct voelbaar. Precies ja, dat was destijds ook de kracht van jungle en vroege drum’n’bass. In ‘London Dungeons’, dat verrassend genoeg goed aansluit bij de hedendaagse muzikale trends, voel je de lastige situatie waarin immigranten in Londen leven. Dat is verdomde knap. Daar tegenover staan geweldige jungle-tracks als ‘Get Ready’ en het rauwe ‘UK Allstars’ die de energie van midden jaren negentig terugbrengt en het aan nu refererende ‘Microchip’, dat tekstueel smullen is: Babylon gekoppeld aan chips, hoe mooi wil je ‘t hebben?

Waar Kevin Martin met zijn dubprojecten aan de experimentele kant blijft, daar grijpt West als Congo Natty terug op de toegankelijke, volkse kant en het zal mij niet verbazen als dit album populair gaat worden. Juist omdat het laat horen dat bass music ook écht goed kan klinken en dat brostep of trap toch echt ontzettend slappe aftreksels zijn van de echte dub-sound. Laat die jungle-revolutie maar komen.

‘Jungle Revolution’ van Congo Natty is verschenen bij Big Dada Sound, distributie door Ninja Tune.

Standard
dance, pop

Popnoname en zijn melancho-pop

Het is veel te lang stil geweest rond Popnoname, het alter-ego van Jens-Uwe Beyer. Logisch. De Keulse producer heeft zich de afgelopen jaren bezig gehouden met andere zaken. Zo richtte hij samen met Barnt en Crato platenlabel Magazine op. Zonder meer een van de interessantste labels van dit moment. Ook is hij lid van Cologne Tapes, een allegaartje van bekende en minder bekende muzikanten uit Keulen en betrokken bij platenmaatschappij Kompakt. Bezigheden op het snijvlak van popmuziek en avant-garde. Onder zijn eigen naam maakt Jens-Uwe Beyer prachtige ambient. Eind vorig jaar verscheen het prachtige ‘Red Book’ bij Magazine. Elk jaar is hij vertegenwoordigd op de ‘Pop Ambient’-reeks van Kompakt.

Popnoname is pop zoals pop hoort te klinken: vrolijk, zoet, melancholisch en met scherpe randjes. Scherpe randjes als, oh cliché, de doornen van een roos: je verwacht het niet bij zoveel schoonheid, die prikkende uitstulpsels. En plots is daar bloed. Totaal onverwacht. Dat hoort pop dus ook te doen. De pop van Popnoname doet precies dat. Vanaf zijn doorbraak met ‘You Are Popnoname’ uit 2006 op het Düsseldorfse platenlabel Italic, maakt Jens-Uwe pop om je vingers bij af te likken. In mijn recensie van zijn debuutplaat ‘White Album’ (2007) vergeleek ik hem met Pet Shop Boys,  ‘Surrounded By Weather’ (2008) is nog meer dan het debuut een ultieme popplaat. Soms zo suikerzoet dat alleen de échte popconnaisseur weet dat het materiaal puur goed is. Het album scoorde bijzonder hoog in mijn eindlijst dat jaar.

Die Jens-Uwe is er dus een tijd niet geweest.

En ja, ik heb hem gemist. Weet ik nu. Want nu is er een nieuwe single: ‘Change’. En verdomd, wat is dat nummer fraai. Typisch Popnoname ook. Want onvaste stem, catchy en mierzoete melodie en een aanstekelijk refrein. Kortom, pop waar de stad Keulen inmiddels bekend om staat. Oordeel zelf. Nu is het wachten op die derde langspeler.

Popnoname Change by Uldus Production from Uldus Bakhtiozina on Vimeo.

Standard
pop

Lost Bear kiest voor meer rock op Shingolai

In 2011 debuteerde Lost Bear met langspeler Limshasa. Goed album dat naadloos in de trend van neo-indie paste. De Utrechters grepen er terug op Dinosaur Jr., Pavement, Buffalo Tom, Pearl Jam en fIREHOSE. Amerikaanse indie uit de jaren tachtig, vroege begin jaren negentig dus. Dat deden de zeven (!) zo goed dat de oude helden bijna vergeten werden. Knap werk.

Eind vorig jaar verscheen een nieuwe ep van het gezelschap: Shingolai. Door mij schaamteloos over het hoofd gezien. Na ja, dat is niet helemaal waar. De ep heeft heel wat draaibeurten gehad tijdens mijn vele treinreizen de afgelopen maanden. Over de muziek schrijven kwam er nog niet. Had ik drie maanden geleden al moeten doen, want Lost Bear klinkt hier nog beter dan op het debuut en de split met stadsgenoten Schotel Van De Dag uit 2011.

Dat komt vooral door de wellicht onbekende keuze die band heeft gemaakt. De noise- en gitaarpopinvloeden zijn naar beneden geschroefd, het rockidioom verder ingekleurd. Vijf nummers staan er op Shingolai, amper genoeg voor een klein kwartier muziek. In mijn recensie van Limshasa noemde ik Andrew Wood als voorbeeld voor zanger Casper Steenhuizen, Mother Love Bone voor het geluid dat Lost Bear bij vlagen produceert. Wel, die vergelijking ligt er nu behoorlijk dik bovenop. Sterker nog: Shingolai had net zo goed een vergeten ep kunnen zijn van een band die zo rond 1989 rond Portland furore maakte en door Mother Love Bone werd uitgenodigd als voorprogramma. Bij wijze van spreken.

Zou om meerdere reden goed passen. Het bonte, extravagante van Andrew Wood en Mother Love Bone hoor je terug in Lost Bear. Niet zozeer het flamboyante van de veel te vroeg overleden zanger, maar de muzikale diepgang en openheid van zijn band in de begintijd van grunge. Met name de blazers verrijken het geluid van de Utrechters en geven hun indierock een extra laag. En dan is er nog de energie die van de vijf nummers afspat. Ook die lijkt op die van Mother Love Bone. De nummers klinken alsof er een feestje wordt gebouwd in de studio, het genieten van het spelen belangrijker is dan de kwaliteit van de opnamen. Zoveel levensvreugde hoor je weinig bij een hedendaagse popband. Lost Bear speelt alsof het leven ervan af hangt.

Dat hoor je al vanaf de eerste noot. ‘Sohilait’ is een schots en scheve rocker met prachtige blazerswerk en veel soul. Op FileUnder.nl wordt niet voor niets gerefereerd aan King’s X. Goed gehoord. ‘Science’ is Amerikaanse indie anno 1989 all over again. Prachtig. Ja, de muziek van Lost Bear is ouderwets, retro wellicht. Maar wat maakt ‘t uit? Zoveel energie en emotie samengebald in een kwartier muziek van deze kwaliteit hoor je zelden.

Shingolai van Lost Bear is verschenen bij Shaky Maracas/Snowstar. Meer Lost Bear: lostbearmusic.wordpress.com.

Standard
pop

De zacht-bittere liedjes van Peter Vandrie

Eerste echte blog in het nieuwe jaar dat behoorlijk traag van start gaat. Althans, journalistiek gezien. Stoppen bij OOR betekent nieuwe keuzes maken en eerlijk gezegd is dat lastig. Ik kan maar moeilijk kiezen tussen de drie aanbiedingen die ik heb gehad. Dit weekend hak ik definitief de knop door. Er is dus weer snel een plek waar je van mij over popmuziek kunt kunt lezen. Buiten frnkfrt, ZuiderLucht en Gonzo (circus) dan, maar daar schrijf ik ook en vooral over andere zaken.

Goed, vanaf eind november ben ik eigenlijk nergens mee bezig geweest. Dat zou me vroeger benauwen, nu niet. De laatste tijd heb ik voor eerst in zeker tien jaar gewoon niets gedaan. Genoten van momenten, van kleine dingen, van grote dingen. Een verademing. Voelt als een herijking. Langzaam kom ik weer op gang. Ik moet toegeven dat me dat niet gemakkelijk afgaat: kom behoorlijk stroef uit de startblokken. De promolijst torent vervaarlijk boven mijn iMac uit. Lastige situatie. Zeker omdat er een handvol albums is waarover ik echt moét schrijven.

Één daarvan is Not Like Bones van Peter Vandrie, die ik nog ken uit de tijd dat hij met de band Matik furore maakte in het raverock-circuit. Voor Glamcult schreef ik ooit een behoorlijk groot artikel over de Amsterdamse rockers. Matic was er vroeg bij. Misschien iets te vroeg. Een tijdje later pas braken bands als Hot Chip door naar een groter publiek. Dat is verleden tijd. Met Matik of het hippe geluid van de Amsterdamse band heeft Vandrie solo niets van doen. Op z’n langspeeldebuut Not Like Bones ontpopt hij zich tot begenadigd liedjesschrijver.

Mét veel zelfvertrouwen. Op zijn site toont hij zich alles behalve bescheiden: ‘Imagine Beck meeting Feist in the desert, serenading her with Lou Reed songs.’ Daar kun je mee thuiskomen. Goede omschrijving? Er zijn betere. Hall & Oates die een poging doen om Beatles-liedjes te voorzien van eigentijds experimenteel popjasje, bijvoorbeeld. En dan is er nog de markante stem van Vandrie. Slepend, zeurderig, nasaal, soms onvast. Geeft zijn liedjes een eigenzinnig geluid. Een mooi geluid ook, al zal z’n markante stem niet iedereen bevallen.

Dan is er nog het vernuft van de liedjes. Neem ‘All The End Of The Show’, een prachtig, licht melancholische tearjerker met zacht-bittere melodie en warme, stemmige toetsen. En zo staan er meer prachtige liedjes op dit debuut. Hoe lager het tempo, hoe dominanter het stemgeluid van Vandrie wordt. Levert met ‘Closer To The Sun’ het mooiste moment op van een eigenzinnig debuut. Vandrie laat zich er bijstaan door een keur aan gelouterde popmuzikanten, maar steelt er vooral zelf de show. Kan ie in zijn zak steken.

Not Like Bones van Peter Vandrie is verschenen in eigen beheer.

Opslaan als: Hall & Oates verslaafd aan Beatles.
Meer Peter Vandrie: www.petervandrie.com.

Standard