pop, recensie

Metz: noisecore, noisecore, noisecore

De Duitse popbladen stonden er begin oktober mee vol: Metz, drie jongens uit Canada die verwoestend coole rock maken. Het titelloze debuutalbum blies me van mijn stoel, maar tijd om het album vaker te luisteren had ik niet. De elektronische muziek smeekte om gerecenseerd te worden. Inmiddels hebben ook de Nederlandse blogs het drietal ontdekt. Dat is niet verwonderlijk: het debuut is uitgekomen bij Sub Pop. Kicking The Habit en FileUnder zijn enthousiast. Gelijk hebben ze. Metz is te gek.

Wat er zo goed is aan Metz? Het compromisloze karakter van de muziek. Metz – Alex Edkins, Hayden Menzies en Chris Slorach uit Toronto – grijpt terug op noisecore van begin jaren negentig: Neurosis, Jesus Lizard, Shellac, het Amphetamine Reptile-platenlabel. De Sub Pop-biografie spreekt niet voor niets van “…and it’s as if 1992 had never ended. Whether ironic or not, it’s still a lethal and hectic slice of grungy chords…” Het album vier en een halve ster te geven van de vijf, zoals God is in the TV doet? Kijk, dat is in ieder geval ironisch.

Is Metz zelf ironisch? Misschien. Maar zo klinkt de band eigenlijk niet. Begin jaren 1990 werd de noise-scene uiteindelijk ook ingekapseld in het commerciële systeem. De eerste optredens van Jesus Lizard, Shellac en zielsverwanten als Pitchshifter en Consolidated waren heftige shit: recalcitrant, subversief, rebels. Ik zag ze allemaal in de Eindhovense Effenaar. Rond 1995 gold dat eigenlijk voor geen enkele band meer. Het meest subversieve dat ik deed was mijn laatste geld uitgeven aan het debuutalbum van Shellac. Een week lang at ik witbrood en witte bonen in tomatensaus uit blik. En ja, ik sprong door mijn studentenkamer op de muziek van bovenstaande bands. Maar dat telt vast niet als rebels. Toch?

Ach, misschien is het ook niet zo belangrijk of Metz wel of niet ironisch is. Belangrijk is de vraag waarom het geluid van de band anno 2012 zo verfrissend klinkt. Want dat doet het zeker. Metz heeft een rauwheid, een eerlijkheid die je niet vaak meer hoort bij bands. Zeker niet nu het Amsterdamse Boutrous Bubba vanavond z’n afscheidsconcert speelt. Metz is rauw, strak en hard. Muziek zo hoekig als een stoel van Gerrit Rietveld (dank voor de juiste info Anne Vlaanderen). Muziek die continu uit de bocht dreigt te vliegen maar dat niet doet. Blijkbaar snak ik naar zulke rock. En noem Metz alsjeblieft geen post-hardcore. Meer noisecore dan Metz tref je het écht niet. Vooral de tweede helft van het album, met popinvloeden en melodieuze refreintjes, is prachtig.

Een band, kortom, die begin jaren negentig direct op de cover van Opscene terecht gekomen was. Muziek die met de volumeknop naar rechts door mijn appartement hoog boven Heerlen schalt. Heeft niemand last van, minder dan de helft van de woningen is immers bewoond. Een fles wijn – rood, biologisch en Fair Trade uit Zuid-Afrika – maakt een zaterdagavond in Heerlen af. Metz als levenselixer voor een man van middelbare leeftijd aan het eind van z’n popjournalistieke carrière? Wees gerust: Metz heeft meer om het lijf. Veel meer. Oké, nog eens van voren af aan. Ondertussen vraag ik me af hoe ik zo van muziek kan genieten op minder dan de helft vierkante meters in het centrum van Haarlem. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Metz van Metz is verschenen bij Sub Pop.

Opslaan als: noisecore, noisecore, noisecore.
Meer Metz: Metz op Bandcamp.

Standard

One thought on “Metz: noisecore, noisecore, noisecore

  1. Pingback: Metz – Muziekodroom, Hasselt (12-03-2013) | Head Music