2012: beste albums eerste half jaar

by theo

Poeh, wat begin 2012 goed zeg. Niet alleen kroop de pracht van Kindred EP van Burial onder mijn huid, ook John Talabot, Scuba, Loops of your Heart, Mohn, JK Flesh, Harmonious Thelonious en Stabil Elite maakten prachtplaten.

Daarna werd het stiller. Maar toch: voor mij kan het eerste half jaar van 2012 niet meer stuk. Aangezien ik me de afgelopen vijftien jaar heb gespecialiseerd in elektronische (dans)muziek, houd ik het daar min of meer bij in dit lijstje van beste albums van 2012 tot nu toe. De meeste albums recenseerde ik voor OOR.

De tweede helft van 2012 staat ook in het teken van mijn transitie van popjournalist naar popcurator. Althans, op dit blog. Van de enorme hoeveelheid muziek die ik wekelijks voor mijn kiezen krijg, belandt zeker negentig procent op de stapel ‘nog iets mee doen’. Doe ik dus nooit meer iets mee. En dat is zonde voor de goede nieuwe muziek die daar tussenzit. Verwacht dus meer muziektips op dit blog (of via Twitter en Facebook, dat ik vooralsnog aanhoud).

Genoeg geschreven. Hier zijn de albums uit de eerste helft van dit jaar die aanspraak maken op een plekje in mijn top-10 van 2012 met daarna de Spotify-playlist waarop ze bijna allemaal voorkomen aangevuld met nog meer moois.

EDIT: Peter Bruyn merkt terecht op dat Kindred van Burial eigenlijk ook een volwaardig album is, want dertig minuten lang. Die plak ik er dus tussen.

Burial – Kindred
Op dit korte album verklankt Burial wat David Toop zo mooi ‘hauntology’ noemt: een soort angst voor iets dat niet zichtbaar is. Een soort existentiële angst voor het andere, de ander. Waar zijn debuut kon dienen als troost, daar maakt Kindred duidelijk: er is geen verlossing. Daar is geen ontkomen aan. Het geluid slokt je langzaam op als dichte mist. En dan is het te laat. Dan zit Burial al onder de huid. Is ontsnappen onmogelijk. De venijnige sfeer die hij neerzet is subtiel: gekraak van vinyl en glitch zijn een constante. Z’n beats klinken aangevreten, kapot. Dat benadrukt hun doelloosheid.

Loops of your Heart – And Never Ending Nights
Op het eerste gehoor klinkt And Never Ending Nights het tegenovergestelde: desolaat, stil, verontrustend, afstandelijk en zelfs angstig. In Neukölln mengen straatgeluiden uit de buurt zich met zoemende synthesizers. Een combinatie die voor koude rillingen zorgt. Ook in het elf minuten durende Cries stript Willner z’n klanktapijt van alle tierelantijnen. Klinkt net zo diep en intens als The Field, waar hij juist kiest voor overdaad.

Stabil Elite – Douze Pouze
Twintigers uit Düsseldorft die krautrock en Neue Deutsche Welle naadloos met elkaar verbinden zonder oubollig te klinken. Sterker nog: zelden zo’n fris album gehoord. Single Expo is een kruising tussen Depeche Mode en La Düsseldorf, het prachtige, melancholische Milchstrasse groovet in beste jaren tachtig-traditie, Endecomputer citeert schaamteloos uit Autobahn. En dan zijn er nog de teksten die in al hun poëtische pracht het nu bekritiseren.

Harmonious Thelonious – Listen
Stefan Schwander uit Düsseldorf zoekt de essentie van minimalistische dansmuziek: niet-westerse ritmes worden minutenlang aangehouden, op de achtergrond continue toegejuicht door een uitzinnig publiek. Of de ritmes vervlechten zich met elkaar, gaan op in een andere wereld, zoals in het briljante Profaner Tanz waarin Schwander het machinale sublimeert tot natuur. Oerkraut, zoiets. Alsof Stockhausen in Afrika verder leeft. Of andersom, natuurlijk.

John Talabot – fin
Talabot uit Barcelona maakt deephouse die diep onder de huid kruipt: warm, traag en vervreemdend. En altijd zijn er die onverwachte details die hij toevoegt: die plots dwingende synthbas, die melodie die net te lang doorgaat, een net niet ontsporende zanglijn, opgeknipte vocalen en onaffe harmonieën. Bij elke luisterbuurt duiken er meer van die details op. Slowmotion disco en de terugkeer van rave-esthetiek.

Scuba – Personality
Dat sensatie van de opkomende zon die door de ramen van Panoramabar naar binnen sluipt. De nacht is ten einde, maar het feest gaat nog even door. Precies daarin schuilt de kracht van deze Scuba’s derde: misschien ontbreekt de échte finesse, maar de euforie maakt veel goed. Met Personality op de draaitafel smaakt goedkope witte wijn als champagne.

The Sugarettes – Destroyer of Worlds
De intentie van The Sugarettes is duidelijk: hun highschool-film speelt begin jaren negentig. De tijd dat indierock en -pop nog oprecht waren, althans: nog niet gecorrumpeerd door het grote geld. De tijd van Dinosaur Jr., Throwing Muses en Breeders. Noem dát maar gerust naïef. The Sugarettes raakt er een gevoelige snaar mee. Sterker: met dit prachtige album kroont de band zich tot vaandeldrager van de nieuwe Nederlandse neo-indie.

JK Flesh – Posthuman
Dansmuziek, als je het zo kunt noemen, voor de post-menselijke discotheek. Vergelijkingen met het werk van Techno Animal, Godflesh en Scorn (het project van Mick Harris) liggen voor hand. Maar toch: Posthuman is anders, een soort overtreffende trap. Twintig jaar geleden maakte Broadrick al muziek die later de basis vormde voor dubstep. Posthuman is geen dubstep, maar de subsonische bassen vliegen je wel om de oren.

Mohn – Mohn
In negen nummers laveren Wolfgang Voigt en Jörg Burger ergens tussen GAS, het bekende ambientproject van Voigt, en introverte techno in. Soms verontrustend rauw en onbehouwen, dan weer zalvend en introvert. Maar altijd is er de finesse van verschillende, pulserende melodie- en ritmelijnen die langzaam dichter bij elkaar komen, elkaar omhelzen en uiteindelijk in het niets te verdwijnen. Laat de luisteraar in verontrusting achter en dat is een prettig gevoel.

Orgue Electronique – Strange Paradise
Je moet maar durven: je debuutalbum openen met Our House, een vette knipoog naar Chicago house-klassieker My House van Chuck Roberts. Komt Boschenaar Brian Schijf – Orgue Electronique dus – gemakkelijk mee weg. Strange Paradise is een ode aan de begindagen van house. In die overdonderende opener spreekt nachtegaal Robert Owens met diepdonkere stem over ‘someone called Jack’, over ‘my house is your house’ en ‘deep harmonies’. Ja, je zou dit album een nostalgisch album kunnen noemen, een verlangen naar wat ooit was.

The Don’t Touch My Croque-Monsieurs – BESTE. STUURLUI. OOIT.
De messcherpe gitaren, gouden melodieën en rake raps laten een hele andere band horen dan op het debuut uit 2010. Alsof de radicale anarchokapitalistische vrijheidsbeweging uit de kille straten van Amsterdam-Noord een metamorfose heeft doorgemaakt. Is natuurlijk niet zo. De vier Amsterdammers hebben in de tussentijd geleerd hoe ze écht goede popliedjes moeten maken. En goed is in dit geval GOED.

Space Siren – Mr. Wagner, Please Give Us A Call
De tien nummer van Mr. Wagner, Please Give Us A Call vallen nog nét niet uit elkaar. Precies daarin zit de kracht van Space Siren: het viertal balanceert continue op het randje van chaos. Dat emotioneert en spat uit de boxen. Vergelijkingen met Sonic Youth en My Bloody Valentine liggen voor de hand, maar dat is te gemakkelijk. Veel eerder lonkt Space Siren naar de Britse band Th’ Faith Healers die met het briljante Lido (1992) furore maakte en door de combinatie van krautrock, noisepop en shoegaze eveneens niet was te plaatsen.

Andere mogelijke kanshebbers:
Shackleton – Music For The Quiet Hour / Drawbar Organ EP’s
Benjamin Damage – Doc Daneeka – They Live!
Lindstrøm – Six Cups of Rebellion
120 Days – 120 Days II
Mouse on Mars – Parastrophics
Oval – DNA
Rusko – Songs
Simian Mobile Disco – Unpatterns
Lone – Galaxy Garden
Delta Funktionen – Traces
Ryat – Totum
School of Seven Bells – Ghostory
Spiritualized – Sweet Heart Sweet Light
Alex Under – La Máquina de Bolas
Gang Colours – The Keychain Collection
White Hills – Frying on this Rock
Bretón – Other People’s Problems
Liars – WIXIW
Beach House – Bloom
EL-P – Cancer 4 Cure
Japandroids – Celebration Rock
Thomas Köner – Novaya Zemlya
SpaceGhostPurrp – Mysterious Phonk: The Chronicles of SpaceGhostPurrp