Popjournalist? Dan maak je in december een lijstje van beste platen van het afgelopen jaar. De vaste lezers weten inmiddels dat ik niet zo veel heb met dat soort lijstjes. Vraag me een dag later om ‘m nog eens samen te stellen en er komt een ander lijstje uit. Smaak, aangelegd met kennis en ervaring, is nu eenmaal broos en delicaat. Zo ook dit jaar. Voor OOR koos ik tien albums die ik nog steeds koester. Al zou mijn lijstje er nu anders hebben uitgezien. Daarover later meer.
Eerst terug naar OOR en de jaarlijstjes. Ditmaal vroeg de redactie vijftig popkenners om deel te nemen aan het jaarlijkse festijn. Interessant detail: Jochem Geerdink, die op Twitter flinke stampij maakte omdat hij niet in de lijst genomineerden voor de Pop Media Prijs stond, hoorde daar niet bij. De afgelopen vijf jaar analyseerde popjournalist Peter Bruyn vier maal de uitkomsten van de eindjaarslijstjes in OOR. Ook dit jaar levert dat weer fijn leesvoer op.
Opvallendste gegeven? Alleen The Suburbs van Arcade Fire en High Violet van The National komen statistisch gezien op een plek in de eindlijst in aanmerking. Bij de overige albums in die eindlijst kijkt ‘ruis’ om de hoek. De nummers 21 tot en met 50 van die eindlijst doen er helemaal niet meer toe, analyseert Bruyn. De afwijking is in die regionen zo gering dat de volgorde niets zegt. Lees de boeiende analyse van Bruyn er maar zelf op na.
Mijn lijstje week dit jaar nogal af van het gemiddelde. Geen enkel album in mijn lijst belandde in de uiteindelijk OOR Eindlijst. Dat had gemakkelijk wél zo kunnen zijn. Crooks & Lovers van Mount Kimbie en Swim van Caribou vielen pas in het laatste stadium af. Mensen die mij kennen weten dat ik weinig op heb met statistiek. De OOR Eindlijst kan me dus gestolen worden. Evenals alle eindlijsten, overigens. Zeggen namelijk niets. Wél interessant? de individuele lijstjes. Die zeggen namelijk wel veel. Waarom? Eenvoudig: ze zijn samengesteld door experts die duizenden nieuwe albums per jaar horen, die ontzettend diep in een bepaalde muzikale subcultuur zitten en beroepsmatig geneigd zijn niet over één nacht ijs te gaan om een oordeel te vellen.
Kortom, dat Cosmogramma van Flying Lotus op elf staat in de OOR Eindlijst zegt me niet zo veel. Wel dat Atze de Vrieze het album op één heeft staan in zijn lijst. Verrassingen in de vijftig individuele lijstjes? De unieke ‘smaak’ van Tim Veerwater. Moet ie koesteren. Fabric 55 van Shackleton had zó mijn eindlijst gehaald wanneer ik de promo niet eerst op de stapel ‘nog te luisteren had gelegd’. Met mijn nominatie was het album de top vijftig binnengedrongen. Ook Koen Poolman en René Passet namen het op in hun lijst. Met Raymond Rotteveel deelde ik een album: Jojo Burger Tempest van Working For A Nuclear Free City. Grootste verrassing? Geen overlap met oud-stadsgenoot Peter Bruyn.
Goed, genoeg geschreven. De lijstjes!
OOR EINDLIJST 2010 (alleen de eerste tien)
1. Arcade Fire – The Suburbs
2. The National – High Voilet
3. The Black Keys – Brothers
4. Gonjasufi – A Sufi And A Killer
5. Beach House – Teen Dream
6. Ariel Pink’s Haunted Graffiti – Before Today
7. Spoon – Transference
8. Tame Impala – Innerspeaker
9. The Tallest Man On Earth – The Wild Hunt
10. Vampire Weekend – Contra
Tja, van geen enkel van die tien albums ben ik écht onder de indruk al kan ik dat van Gonjasufi best waarderen en is Before Today ook meer dan aardig.
Welke tien albums koos ik? Op een rij, mét korte toelichting.
Von Spar – Foreigner
Derde alweer van deze Keulenaren. Von Spar klinkt weer herkenbaar, al blijven de Duitsers weer net zo onberekenbaar als Liars en Trans Am. Met die laatste band deelt Von Spar de voorliefde voor lang uitgesponnen, kosmische rockjamsessies en jaren zeventig-disco. Met fascinerend resultaat. Op Foreigner klinken echo’s van Neu!, Can, Tangerine Dream, Giorgio Moroder en Alan Parsons door, single ‘HyBoLT’ is een Kraftwerk-pastiche en in ‘trOOps’ is het Afrofuturisme niet ver weg. Kan een mens zoveel retro verdragen? Met gemak. De manier waarop Von Spar in afsluiter ‘Daddy Longlegs’ vroege krautambient vermengt met ambienttechno uit de jaren negentig is subliem. Tangerine Dream ontmoet Sun Electric, zeg maar.
Lindstøm & Christabelle – Real Life Is No Cool
De samenwerking tussen Lindstrøm en Christabelle is niet nieuw, maar wie Real Life Is No Cool hoort, vraagt zich direct af waarom dit album zo lang op zich heeft moeten wachten.
Waar Lindstrøm met Prins Thomas meer richting krautrock is opgeschoven, struint hij met vocaliste Christabelle door de ruïnes van disco en synthpop. ‘Music In My Mind’ (het beste nummer op het teleurstellende solodebuut van Lindstrøm) laat ook hier horen hoe goed de twee op elkaar zijn ingespeeld. Om maar te zwijgen van het fenomenale ‘Looking For What’, waarin het speelse gepraat van Christabelle, een stuwende Moroder-baslijn en losse pianoakkoorden leiden tot een funky soort spacedisco. Schaamteloos graaien in het verleden? Jazeker. Maar o, wat klinkt het mooi.
Francesco Tristano – Idiosynkrasia
Internationaal baasje. Groeide op in Luxemburg, studeerde in Brussel en New York. Worstelde al twee maal met het samenbrengen van klassieke avantgarde en techno. Dat is ‘m op deze derde gelukt. Idiosynkrasia nam hij op in de Planet E-studio van Craig in Detroit. Noem het resultaat nieuw klassiek of avantpop. Dance is het in ieder geval niet. Daar klinkt zijn ‘akoestische’ techno te organisch voor. Tristano gebruikt jazzritmes, accenten uit minimal music, is niet vies van groovende dansrimtes, maar breekt zijn maten en beats net zo lief in kleine stukjes. Ontzettend knap gemaakt, maar belangrijker is dat Idiosynkrasia de nekharen recht overeind doet staan van spanning en genot, er in elk nummer voor zorgt dat je als luisteraar door emoties wordt overspoeld. Avantgarde met de emotie van pop.
Working For A Nuclear Free City – Jojo Burger Tempest
Meest onderschatte band van het moment. Stijl? Typisch Manchester, uit Manchester. Working For A Nuclear Free City zit ergens tussen Primal Scream en Campag Velocet in, met toefjes Hybrid en Mouse On Mars. Stylus Magazine typeerde de muziek eerder als “a flawless lucid-dream trip through a thousand fantastical influences”. Ik houd het op zo’n typisch begin jaren negentig Opscene-bandje: losjes, heftig, emotioneel en vooral niet stijlvast. Doen het al bijna een decennium en het blijft goed. Jojo Burger Tempest klinkt als los zand. En dat is in dit geval positief. Het titelnummer duurt een dik half uur en vat alles nog eens goed samen. Stylus slaat de spijker op z’n kop.
Aeroplane – We Can’t Fly
Een draak van een plaat noemde ik We Can’t Fly in OOR. Zo eentje die goed fout is. Goed, volgens veel bevriende dancekenners gaat Vito De Luca nu echt te ver. Voor mij blijft hij knap balanceren op de dunne draad tussen kunst en kitsch. Zonder zich te verstappen. Neemt niet weg dat het schaamrood ook mij regelmatig op de kaken staat wanneer We Can’t Fly rondjes draait op de platenspeler. Psychedelische gitaarsolo’s, synthesizersolo’s, een strijkorkest en reggaeritmes in één nummer? Dat kan écht niet. Maar toch. In handen van De Luca klinkt het als een klok.
Prins Thomas – Prins Thomas
Goede zet van Prins Thomas die (tijdelijke?) breuk met maatje Hans-Peter Lindstrøm. Zonder dralen keert Prins Thomas neodisco de rug toe en omarmt kosmische rock. Goed de disco-invloeden klinken op de achtergrond door, maar zoemende synthesizers, bedwelmende baslijnen en motorik voeren de boventoon. Klinkt geweldig. Alsof Prins Thomas eigenhandig een 21e eeuwse variant van kosmische rock wil uitvinden. Lukt ‘m niet. Wel daalt de Noor af naar de krochten van het genre en komt hij terug met goud. Die dolgedraaide Moog van ‘Slangemusikk’ die overgaat in de autobahnrock van het tien minuten lange ‘Sauerkraut’? Bewijst dat Prins Thomas de ziel van kosmische rock heeft gevonden.
Superpitcher – Kilimanjaro
De kroonprins van de Keulse dance komt eindelijk met z’n tweede. En ja, ook deze is prachtig. De ambientpop van debuut Here Comes Love laat Aksel Schaufler achter zich. Nieuw zijn de pure popliedjes die hij drapeert met zijn ijle vocalen. De melancholische mengeling van new wave, dubritmes, popmelodieën en frisse synthesizerpatronen klinkt helemaal nu. Maar zomaar een hip album is deze tweede niet. Daar zijn de composities te uitgekiend voor. ‘Who Stole The Sun’ en ‘Country Boy’ is het soort proto-pophouse waar alleen Superpitcher patent op lijkt te hebben: dansbare, échte liedjes mét een diepere laag. Kortom, Superpitcher lapt het ‘m weer.
dOP – Greatest Hits
Debuteren met een Greatest Hits? Dat getuigt doorgaans van grove zelfoverschatting. Niet bij dOP. De Fransen zijn inmiddels een gevestigde naam in de Duitse dj-scene. De hipste clubs van Berlijn vechten om hun diensten. Terecht, zo laat dit debuut horen. Greatest Hits is geen dance volgens het boekje. De drie producers gaven de Franse componist Emmanuel dʼOrlando de touwtjes in handen. Die haalde er weer anderen bij, waaronder het Macedonian Radio Symphonic Orchestra. Een puur house-album is dit debuut dus zeker niet. En toch ook weer wel, want trage dansritmes en diepe bassen voeren de boventoon. Die mengen gemakkelijk met de klassieke elementen die dʼOrlando toevoegt. Repetitief pianoritme hier, zware strijkpartij daar. Het past. Zo verfrissend als hier klonk house zelden.
Lonelady – Nerve Up
Verbaasd me eerlijk gezegd dat ik de enige ben die Lonelady in z’n lijstje noemt, want typisch OOR. Misschien omdat Julie Campbell uit Manchester haar debuut heeft uitgebracht op WARP? In ieder geval onterecht, want de Britse klinkt hier bij vlagen als de jonge Kristin Hersch ten tijde van, jawel, Throwing Muses. Wat Nerve Up zo goed maakt? De combinatie van de dof stampende drumcomputer, strakke postpunkgitaren, hoekige riffs, kunstmatig handgeklap én de ontwapenende engelenstem van Campbell. Kortom, album vol prachtige liedjes waar de emotie en klasse vanaf druipen.
Noisia – Split The Atom
Enige Nederlandse bijdrage in mijn lijst. Had meer kunnen zijn. Ook Black Sun Empire drong uiteindelijk aan op een plekje bij de eerste tien, maar dat album kwam toch net iets te laat (of de deadline voor het lijstje was te vroeg). Mét The Qemists, Pendulum en Netsky is Noisia de drum’n’bass-sensatie van de afgelopen jaren. Toch zijn de Groningers veel minder stijlvast. Op Split The Atom schoppen ze rigoureus heilige huisjes omver. Stompende drum’n’bass wordt er afgewisseld met zware dubstep, filterdisco in een new rave-jasje en progressieve ambient. Vreemd samenraapsel van stijlen en toch klinkt het niet vreemd. En zo trekt Noisia een lijntje van Europese synthdisco naar dubstep. Gezien de positie van de Groningers in de Britse dancescene daarom niet minder dan een sleutelalbum.
Net niet dit jaar? Een hoop albums. Toch wil ik er nog een paar noemen. Omdat ze het verdienen, want 2010 was een goed dancejaar. Erg goede dubstep is te horen op Crooks & Lovers van Mount Kimbie en Fabric 55 van Shackleton. Essentiële techno maakten Shed op The Traveller en Pantha Du Prince op Black Noise. Niet te missen pop? Swim van Caribou. Lights And Wire van Black Sun Empire verdient een eervolle vermelding. Albums van trance-helden BT en Hybrid waren dit jaar net niet spannend genoeg.
En? Wat zijn jouw beste albums van 2010?