De geschiedenis van de elektronische pop begint in Eindhoven
by theo
De moderne, populaire elektronische muziek is ontstaan in Eindhoven. Al in de jaren vijftig maakte Kid Baltan daar de eerste danceplaat ooit. Leuke stelling, alleen veel te gemakkelijk. Maar toch. Wie Songs of the Second Moon uit 1957 hoort, kan niet anders dan verbaasd zijn. Het nieuwe festival voor kunst en technologie, STRP, gaf het werk van Dick Raaijmakers in handen van moderne elektronische componisten en vroeg ze om een eigentijdse interpretatie.
Muziek die klinkt als Kraftwerk alleen dan vijftien jaar eerder gemaakt, zo klinken Songs of the Second Moon van Kid Baltan en Syncopation van Tom Dissevelt. Twee muziekstukken die in de jaren vijftig gecomponeerd werden in het Natuurkundige Onderzoekslaboratorium van Philips in Eindhoven. Nat Lab in het kort. Of neem nou Achter De Schermen van Dick Raaijmakers uit 1960, dat gebruikt werd als achtergrondmuziek bij de educatieve Philips films over de fabricage van beeldbuizen. Een compositie die zo tussen moderne industriële popmuziek past. Echt blij was de leiding van Philips overigens niet met de experimenten van Raaijmakers, zo valt te lezen in het boekje bij de vorig jaar verschenen cd-box Popular Electronics, Early Dutch Electronic Music From Philips Research Laboratories 1956-1963 met muziek van Kid Baltan, Tom Dissevelt, Henk Badings en Dick Raaijmakers.
Samengesteld door Kees Tazelaar en Dick Raaijmakers zelf. Tazelaar, docent elektronische muziek in Den Haag en zelf componist, reconstrueerde de vrijwel vergeten opnamen. De aanzet daarvoor gaf Raaijmakers – geboren in 1930 en onder andere actief onder het pseudoniem Kid Baltan – die hem tien jaar geleden een plaat van hemzelf en Dissevelt gaf. Tazelaar vertelt enthousiast: “Je moet je voorstellen dat Philips al voor de Tweede Wereldoorlog bezig was met het ontwikkelen van elektronische muziekinstrumenten. Toetsenborden, pogingen violen automatisch te laten spelen, stereofonie, surround sound, noem maar op. In 1956 werd er op het Nat Lab tijdelijk een ruimte ingericht als muziekstudio naar model van de Duitse studio’s, waarin Henk Badings de muziek kon maken voor het ballet Kaïn en Abel dat op het Holland Festival zou worden uitgevoerd. Dat stuk was een succes en Badings verdiende er allerlei opdrachten mee. De studio bleef dus open.”
Prompt werd Philips-medewerker Raaijmakers door zijn baas ir. Roelof Vermeulen gevraagd om ook in de studio aan de gang te gaan. Nu om uit te proberen of er met deze apparatuur ook een populaire vorm van elektronische muziek mogelijk was. Hij beschikte immers over een conservatorium-opleiding. Het resultaat – de single Song of the Second Moon – werd door de multinational als relatiegeschenk wereldwijd verspreid. Die zag wel brood in die nieuwe vorm van elektronische muziek. De toen al geroemde jazzbassist en arrangeur Tom Dissevelt werd daarna benaderd om op het Nat Lab het nieuwe populaire genre een verdere impuls te geven. Dissevelt had affiniteit met productietechnieken en grote belangstelling voor het ‘12 toon componeren’ zoals dat door de componisten Schönberg en Webern is ontwikkeld. Het leverde een vruchtvolle samenwerking tussen Raaijmakers en Dissevelt op die aan het begin van de jaren zestig langzaam uitdoofde.
De muziekstudio was inmiddels van Philips naar de Rijksuniversiteit Utrecht verhuisd en daar was voor het populaire genre geleidelijk aan geen plaats meer. De serieuze, academische beoefenaars van de elektronische muziek in Nederland keken vooral naar Stockhausen en Schaeffer, en voor de populaire experimenten in het Nat Lab had men geen goed woord over. “Wat dat betreft werd Philips met de nek aangekeken”, weet Tazelaar, “Raaijmakers heeft mede daardoor altijd met een bepaalde gene op zijn activiteiten als Kid Baltan teruggekeken.” De door Tazelaar en Raaijmakers samengestelde box is een historisch document dat de context van de muzikale ontwikkelingen in het Nat Lab prachtig weergeeft. Het geeft een beeld van elektronische muziek die zijn tijd ver vooruit was en ook nu nergens lijkt thuis te horen. Niet in de academische muziektraditie, niet in de popcultuur.
Vergelijken kun je die werelden volgens Tazelaar niet, maar in beide is er tegenwoordig sprake van een duidelijke versimpeling. “Kijk maar naar de enorme populariteit van Minimal Music. Philip Glass, Steve Reich, Arvo Pärt. Men mag het mooi vinden hoor, maar ik word er onpasselijk van. Het is zo ontzettend simplistisch. En dat is dan juist wat mensen er aantrekkelijk aan vinden. Daar begrijp ik niets van, en de hernieuwde modieuze belangstelling voor zaken als meditatie en spiritualiteit valt daar niet voor niets mee samen. Het is allemaal zo behaagziek. Alsof men van zijn hersenen af wil.” De artiesten die stukken van Raaijmakers opnieuw interpreteren op het zojuist verschenen STRP1, Reactions to the Music of Dick Raaijmakers zitten ergens in het schemergebied tussen pop en elektronische avantgarde.
Daarvan is de in Berlijn woonachtige Amerikaan Jason Forrest wellicht het meest pop. Hij kende het werk van Raaijmakers al en bezit zelfs een plaat van hem. “Echt te gek wat hij in die tijd deed”, vertelt hij enthousiast. “Ergens tussen de BBC Radiophonic Workshop en echte klassieke componisten. Hij hoort nergens thuis en valt overal tussenin. Net als ik.” Groninger artiest Reimer Eising, bekend als Kettel, kende Raaijmakers eigenlijk alleen maar van naam. “Nat Lab klonk me in de oren als een laboratorium onder water.” Samen met vriend en labelgenoot Lennard van der Last ontmantelde hij de tunes en jingles – “met de langere, experimentele werken heb ik weinig” – van Raaijmakers en maakte van de brokstukken iets nieuws. “Uiteindelijk is het iets geworden dat voor tachtig procent uit geluiden van Raaijmakers bestaat. Zo remix ik meestal dingen. Niet alles is gemakkelijk te herkennen. Met het gesamplede trompetgeluid van een jingle heb ik bijvoorbeeld een bassdrum gemaakt.”
Oké, die experimentele muziek van Raaijmakers, daar heeft Eising weinig mee. Toch heeft hij er bewondering voor. “ De leeftijd ervan, de manier waarop het volbracht is, onvoorstelbaar tegenwoordig. En ongetwijfeld staat het bol van uitzonderlijke creativiteit en vakmanschap. Het zijn dingen waar je je in moet verdiepen om het te waarderen. En dan nog blijft het eindproduct voor mij het belangrijkst: is het mooi of niet. Dat gaat niet altijd op voor zijn werken. Interessant? Zeker. Maar met alleen ‘interessante muziek’ heb ik niet zoveel. Dit neemt overigens niet weg dat ik respect heb voor zijn verrichtingen, en vooral de manier waarop.”
STRP1, Reactions to the Music of Dick Raaijmakers is verschenen bij Basta Music.
dit artikel verscheen op zondag 7 april 2006 op cut-up.com. Sinds december 2009 is webzine cut-up niet meer. Toch staat de content nog steeds online. Daar komt eind deze maand waarschijnlijk verandering in. De digitale voetsporen van cut-up worden dan voor altijd uitgewist. De mij dierbare stukken van eigen hand verschijnen de komende weken op dit blog.
[...] This post was mentioned on Twitter by theoploeg. theoploeg said: De geschiedenis van de elektronische pop begint in Eindhoven (een cut-up.oudje) http://tr.im/U3o7 [...]