Een vreemd jaar, dat 2009. In januari streed ik, met drie andere genomineerden, in Groningen om de Pop Media Prijs 2008. Daarna volgende een jaar waarin ik ontzettend weinig heb geschreven. Goed, die nominatie was onterecht. Toch had ik er de motivatie uit kunnen halen om meer tijd in mijn popjournalistieke werk te steken. Niet gelukt, dus.
Erger, ik schreef ongelooflijk weinig. Zeg maar gerust: schrikbarend weinig. Voor OOR maakte ik een reportage over de stille terugkeer van vinyl, deed ik een interview met jeugdheld Jon Savage, sprak ik met Jim Kerr van Simple Minds en zocht ik Depeche Mode op in Londen. Voor Glamcult schreef ik een portret van Kate Moss en volgde ik de Amsterdamse band Matik. Matt Mason voelde ik voor webzine cut-up aan de tand. Dat was het wel zo’n beetje. Voor de volledigheid: ook sprak ik met en schreef ik over Helmut Geier (Hell), Junior Boys, Miss Kittin & The Hacker, Laurent Garnier, Nouvelle Vague en bezocht ik het C/O Popfestival in Keulen. Het laatste jaar waarin ik zo weinig schreef dateert van bijna twintig jaar geleden.
Oorzaken? Twee. Het ontwikkelen van nieuwe lesprogramma’s bij het Instituut van Interactieve Media van de Hogeschool van Amsterdam kostte meer tijd dan verwacht. Ook webzine cut-up vrat tijd. In het geval van IAM pakte dat goed uit. Er staat nu een goed lesprogramma in de zogenaamde cultuurlijn. Bij cut-up pakte de tijdsinvestering minder goed uit. Begin 2009 bezochten nog tegen de 20.000 unieke bezoekers cut-up. Dat aantal liep rap terug. Te weinig nieuwe content. Dat moest anders. Nieuwe schrijvers dus. Nieuwe rubrieken. Nieuwe tactiek en uiteindelijk ook een nieuwe strategie. Eentje die in het verlengde lag van de oude. Het mocht niet baten. Maar het was de moeite meer dan waard.
Één troost: in 2010 ga ik in ieder geval meer schrijven. Voor OOR over popmuziek. Daarnaast keer ik terug op het oude Gonzo (circus)-nest om te schrijven over nieuwe media en mediatheorie. Af en toe over kunst, misschien over (pop)muziek. Onderwerpen die ik niet kwijt kan bij OOR of Gonzo (circus) krijgen aandacht op dit blog. En dan is er nog SocialBeta, een stichting die ik eind dit jaar heb opgericht van Maurice Hermans en Egid van Houtem. Doel? Het expertisecentrum voor e-cultuur zijn dat opereert vanuit Parkstad Limburg. Dat is nogal wat, ik weet.
En dan is er nog het plan voor een boek. Of eigenlijk twee boeken. En een ingrijpende verhuizing. Daarover later meer. Het wordt in ieder geval een spannend jaar, dat 2010.
Zoals elk jaar organiseert Eclectro, de beste website over dance, weer ‘de beste dancetracks van 2009′-verkiezing. Stemmen is leuk, eenvoudig én interactief. Veel plezier.
Eind van het jaar? Lijstjestijd! Vorige maand stond de top honderd van de jaren nul in OOR, deze maand is het tijd voor de beste albums van het lopende jaar. Dat leverde een persoonlijke primeur op. Maar liefst twee albums van mijn lijstje haalden de uiteindelijke top 20 (en in de top 50). Maar goed, daarover later meer. Eerst mijn lijstje.
1. Hell – Teufelswerk
2. DFRNT – Metafiction
3. Redshape – The Dance Paradox
4. Jochen Distelmeyer – Heavy
5. The Field – Yesterday And Today
6. Junior Boys – Beyond Dull Care
7. The Pains Of Being Pure At Heart – The Pains Of Being Pure At Heart
8. Juju & Jordash – Juju & Jordash
9. Disko Drunkards – The Glimmers Present Disko Drunkards
10. Apse – Climb Up Continue reading »
Wat is dat toch met die zware, ietwat vertraagde mannenstem die Alone te vaak siert? Klinkt als house ergens begin jaren negentig. Klinkt als fout. Oké, ik begrijp wat Matthieu Monnin bedoelt. Zo’n stem die ‘romantic’ prevelt staat in contrast met de utopische beats die de Fransman maakt. Tegenstellingen zorgt voor wrijving, maar in dit geval is het geen spannende wrijving maar irritatie.
Dat is zonde. Het werk van Enola – het alterego van Monnin – is spannend genoeg om zonder dat soort te eenvoudige fratsen te kunnen. Helaas denkt Monnin daar anders over. Alone geeft hem ongelijk. Zonder rare zang is de techno van Enola prima te genieten. Zijn interpretatie van Detroit-techno is luchtig en lichtvoetig en verraadt de invloed van die bekende Fransman, Laurent Garnier. Niet voor niet een van Monnins belangrijkste invloeden.
Enola in goede doen kan zich meten met Aril Brikha, die andere neo-Detroiter. Monnin creëert dezelfde afstandelijke sfeer en warmte. Speelt met percussie (jazzy hihats) en schept veel denkbeeldige ruimte. Wanneer tenminste de zang niet alles verpest. Zoals in het new wave-achtige Sarah. Nee, de klasse van Monnin zit ‘m in die sfeervolle, afstandelijke techno, waar de emotie op het eerste gehoor vakkundig is weggelaten. Om uiteindelijk onderhuids op te duiken. Volgende album dus zonder zang. Wat heeft Monnin overigens met Manic Street Preachers?
Een prijs voor platenmaatschappij met de mooiste hoezen van Nederland? Het Amsterdamse Basserk is een kansrijke gegadigde. Sowieso is de beeldtaal – handelsmerk van ontwerpbureau 310k - van het label bloedmooi. Alleen al het roze papier waarom de bio’s van artiesten zijn gedrukt, is een lust voor het oog. Maar goed, wat wil je ook met Limburgse Amsterdammers. Die hebben gevoel voor stijl. Ook de hoes van nieuwe aanwinst Capacocha valt op, al is hij verdomde rijk aan detail. Lastig voor wie cd’s verkiest boven vinyl. Of voor wie het moet doen met een promo. Zoals ik dus.
Muzikaal sluit René Beerens uit Enschede naadloos aan bij het concept van Basserk. Als éénmansformatie Capacocha grossiert hij in pistolpop en electrorock. Dat doet ie niet onverdienstelijk. Toch wordt een ding pijnlijk duidelijk: Beerens is rasperformer en Sacrifice For Party is daar het bewijs van. Zonder Beerens’ energieke show weet zijn muziek niet écht te overtuigen.
Neemt niet weg dat de explosieve electrorock krachtig uit de boxen knalt en Capacocha daarin niet onderdoet voor stijlgenoten als Aux Raus en Elle Bandita, die op cd of vinyl ook allesbehalve overtuigen. Het is al vaker geschreven over dit album: wanneer de gitaren rusten wordt Sacrifice For Party een stuk spannender. Dan valt in momenten stiekem de vergelijking met Alec Empire te trekken. Wat dat betreft heeft Beerens meer potentie van de eerder genoemde stijlgenoten.
En Basserk? Die mogen blij zijn met deze volgende loot aan de electrorockboom. De Nederlandse Ed Banger wordt het label al gekscherend genoemd. Rake typering, maar muzikaal gezien zijn de Amsterdammers wel een stuk spannender. En hebben ze betere vormgevers in dienst. Véél betere.
Harmonics and Oscillators staat er in de bio die Alix Perez heeft toegevoegd aan zijn Twitteraccount. Ludiek, natuurlijk. Het muzikale spectrum dat Perez op 1984 laat horen is uiterst divers, maar is terug te voeren op die twee begrippen. Harmonie is de basis, oscillatoren de basis van elektronische muziek zoals we die nu kennen. Voilà, de essentie van Alix Perez: historie en vernieuwing gaan bij hem hand in hand.
Onvergeeflijk dus dat ik zijn album 1984 heb gemist. Maanden lag de promo – het album is midden oktober verschenen – op mijn stapel ‘te luisteren nieuwe muziek’. De opheffingsperikelen rond cut-up slokten te veel tijd op om bij te blijven. Gelukkig heb ik het album van de in Londen woonachtige Belg uiteindelijk toch ontdekt. Want, mijn god, wat is 1984 een prachtig album.
Goed, Alix Perez dus. Volgens ATM een van de ‘leaders of the nu skool’ van drum&bass. Dat genre volg ik sinds begin deze eeuw niet meer. Het geluid van Bad Company werd te dominant. En tja, dat is niet de drum&bass die ik interessant vind. Als drum&bass zich sinds 2005 zo ontwikkeld heeft als Perez op 1984 laat horen, dan ben ik met terugwerkende fan. Een hele nieuwe wereld te ontdekken dus.
Vooralsnog houd ik het bij 1984. Geen pure drum&bass, overigens. Meer een amalgaam van stijlen. Dubstep, UK garage, triphop, hiphop, ambient. Alles komt voorbij, maar, en dat is zo speciaal aan het werk van Alix Perez, anders dan je gewend bent. Het prachtige Forsaken is daarvan het beste voorbeeld. Gloedvolle UK garage die dicht tegen intelligent drum&bass aanschurkt mét warme vocalen en stijlvol terugtrekkende melodielijn. Die laatste zorgt ervoor dat het nummer schuurt, ondanks de vrolijke noot. In één woord gewéldig!
En zo staan er meer parels op 1984. De scifi-triphop met Ursula Rucker op zang bijvoorbeeld of de rauwe techhop met Yungun. Klinkt fantastisch én anders. Ook de drum&bass-exercities van de Belg zijn lastig te omschrijven. Alsof Burial en Source Direct samen de studio onveilig maken, komt het dichtst in de buurt. Al vergeet ik dan voor het gemak de knap in de muziek verweven invloeden uit intelligent dance music.
Wat dat betreft is Alix Perez en vernieuwer. Zijn muziek schuurt, knarst, maar heeft ook dat typische utopische geluid van drum&bass tien jaar geleden. Het komt allemaal goed, dat idee. Knap husselt hij dubstep, idm en negentiger jaren drum&bass door elkaar. Wanneer 1984 was uitgekomen op Warp of Hyperdub in plaats van Shogun? Was dit album vast in veel jaarlijstjes van critici verschenen. Ook in dat van mij.
Vaste prik op de maandagochtend: vol lof spreken over De Oorlog, de negendelige documentaire die de NPS op de zondagavond uitzendt. Wie niet naar Boer Zoekt Vrouw kijkt, schakelt in op Ned 2. De Oorlog plaatst de geschiedenis in een context, al is die gekleurd. De tweede wereldoorlog is het enige stukje geschiedenis dat niet ten prooi is gevallen aan de postmoderniteit.
De vijf jaar, en vooral de verschikkingen die in de laatste daarvan hebben plaatsgevonden, bieden ons een essentieel moreel kader. Nog steeds. Voor het overige is geschiedenis iets van musea, van boeken, van een andere wereld. In het midden van de negentiger jaren van die vorige eeuw verklaarde Francis Fukuyama de geschiedenis dood. De vraag of de geschiedenis ten einde zou gaan lopen poneerde hij overigens al in 1989 in het essay The End Of History?, waarin hij – vrij naar Hegel – betoogde dat het westen naar een synthese tendeert die onze seculaire vrije markt democratie is. Na de aanslagen van 9/11 kwam Fukuyama op zijn woorden terug. Continue reading »
Oef, Pete Doherty mocht willen dat hij nummers schreef van het kaliber Pete Doherties. Goed, die vergelijking gaat mank. Uiteraard. Sander Klijn, het compositorisch brein achter Good Dog Happy Man, zit in een ander muzikaal discours. Dat Good Dog Happy Man eveneens de titel van een album van Bill Frisell is niet vreemd. Klijn kiest niet voor de gemakkelijke weg. Live pakt dat anders uit dan op cd. Het juryrapport van de Grote Prijs 2007 – door de Utrechtse band gewonnen – stond vol superlatieven. De albumrecensies van dit debuut lezen tussen de regels door als een worsteling van de recensent met de ongrijpbare arrangementen van Klijn.
Dat is een goed teken. Al levert het Good Dog Happy Man een aantal mindere beoordelingen op. Hoort erbij. Neem nou Napoleon’s Army, dat traag van start gaat, maar langzaam naar een prachtige climax toe werkt. Nu.nl kan er niets mee. File Under ziet geen wereldsingle op het album staan. Nee, logisch niet. Dit is prachtige, warme, ja zelfs broeierige pop die de moeilijke route neemt. Beetje Beefheart, zelfs. Zo pakken Klijn en zijn mannen het overigens ook aan in de meer gedreven nummers. Klinkt altijd lekker, maar er gebeurt van alles. Good Dog Happy Man schiet alle kanten op, maar weet de boel knap in het gareel te houden. Nergens ontspoort het viertal. Met soms prachtig resultaat. Zoals in Zoom, dat onwillekeurig doet denken aan dEUS, ook zo’n band die over grenzen durft heen te stappen. Funk, jazz, avantrock, voor de Utrechters is het allemaal één pot nat.
Wat dat betreft is het geluid van Good Dog Happy Man eerder Antwerps dan Utrechts. Wie het middenstuk van afluister Make Up Scrabble hoort, weet precies wat ik daarmee bedoel. Hier klinkt geen band die pop speelt, hier klinkt een band die jamt. Een band die geobsedeerd is door ritme, door groove. Dat popjasje? Ach, dat klinkt gewoon lekker. Dat eigenwijze moet Good Dog Happy Man nog net iets meer cultiveren, want niet overal durft het viertal door te drukken. Rocker Pass The Salt, Fucker bijvoorbeeld mag nog een stuk losser. Ach, komt nog wel wanneer Good Dog Happy Man doorheeft dat een écht goede band niet aan verwachtingsmanagement bij de luisteraar moet doen. Dan gaat het enkel nog om die groove. Luister maar naar de soundtrack die de band maakte van de film Cloverfield voor het Unheard Film Festival. Die is vast nog wel ergens op internet te vinden.
Ja, rijkelijk laat. Ik weet. Mijn top-10 van de jaren nul is reeds verschenen in OOR #11 van dit jaar. Voor blogbezoekers die hét tijdschrijft over popmuziek in de breedte niet lezen, staat ie hieronder.
1. Gas – Pop
2. Blumfeld - Jenseits von Jedem
3. Luomo – Vocalcity
4. Primal Scream – Exterminator
5. Fennesz & Sakomoto – Cendre
6. Hybird – Morning Sci-Fi
7. Jan Jelinek – Kosmischer Pitch
8. Hell – Teufelswerk
9. Justus Köhncke – Doppelleben
10. BT – Movement in Still Life
Tuurlijk, genoeg albums die er ook in hadden moeten staan. Geen Rhythm & Sound, Burial, Trentemøller, LCD Soundsystem, Newworldaquarium, Boxcutter, Farben en Kode 9. Wel Movement In Still Life, eigenlijk een album uit 1999, maar pas in 2000 verkrijgbaar in Europa en Nederland. Ook Vocalcity voegde ik op het laatste moment toe. Jacob Haagsma wist me ervan te overtuigen dat de plaat toch echt geldt als het debuut van Luomo en geen verzameling ep’s is. Waarvan acte. Uiteindelijk bleek het album mijn enige die het haalde tot de gezamenlijke top-100. Al bleef het meesterwerk steken op 70.
Wat ik nu, een dikke anderhalve maand later, aan de lijst zou veranderen. Niets, helemaal niets. Want prachtlijst.