Jochen Distelmeyer ís Blumfeld

by theo

In Duitsland is het groot popnieuws. Jochen Distelmeyer, de voormalig frontman van de beste Duitse indieband ooit, heeft een soloalbum gemaakt. Een album dat klinkt zoals Blumfeld, zo heette de band waarmee hij sinds begin jaren negentig furore maakte, anno 2009 had moeten klinken. Was Jochen Distelmeyer Blumfeld?

In Nederland is Blumfeld nauwelijks bekend. Ja, eind jaren negentig schreef het poptijdschrift Opscene regelmatig over de Hamburgse band. In Nederlandse undergroundkringen was de Hamburgse indiepopscene destijds behoorlijk populair. Tocotronic, Blumfeld, Die Goldene Zitronen, ze golden als de Europese evenknie van de populaire Amerikaanse en Britse indierock. Niet voor niets scoorde Tocotronic een hit met het ironische Wir sind hier nicht In Seattle, Dirk. Nu zie je Blumfeld nog wel eens opduiken in de eindjaarslijstjes van een verlichte popcriticus. En dat was het dan wel. De indierock van de Hamburgse School leent zich niet zo goed als muzikaal behang bij een uitzending over voetbal. Daar is de inhoud te poëtisch of kritisch voor.

Dat Blumfeld twee jaar geleden de pijp aan maarten gaf, werd enkel opgepikt door webzine cut-up. Niet toevallig, ik zwaaide er immers de scepter. In Duitsland is Blumfeld net zo bekend als Kane of Anouk hier. Jochen Distelmeyer is er de intellectuele troubadour die de moderne maatschappij doeltreffend fileert zonder zich te verliezen in abstracte bespiegelingen of plat opportunisme. Kom daar maar eens om in ons land. Goed, twee jaar terug ging het dus mis met Blumfeld. Begrijpelijk. Vijfde album Verbotene Früchte (2006) was een bittere teleurstelling. Voorgangers Testament der Angst (2001) en Jenseits von Jedem (2003) haalden het ook niet bij het beste werk van de Hamburgers. Maar goed, ze waren genietbaar. Zonder meer.

Met Heavy, zijn eerste soloalbum, keert Jochen Distelmeyer terug naar het oude geluid van Blumfeld. En dat doet hij bijzonder goed. In een interview met het Duitse Spex suggereert de Hamburger dat hij tijdens de opnamen van Heavy niet bezig was met het verleden, dat Heavy de Jochen Distelmeyer van nú laat horen. Dat vraag ik me echter af. Goed, hij geeft toe dat hij na Blumfeld op zoek is gegaan naar wat nu eigenlijk hét typische Distelmeyer-product is. Een boek? Theaterstuk? Wellicht een schilderij? Het werd een album. Dat wat Distelmeyer altijd al deed. En het klinkt nog eens bekend ook.

Het ingetogen, halfakoestische Murmel lonkt naar L’etat Et Moi (1995). Muzikaal dan, tekstueel is Distelmeyer de auteur die hij sinds Old Nobody (1999) is.

“Ich leb’ dafür und leb’ davon
Am Ende ist es nur ein Song
Und ich flieg’ davon
Mit dir”

en

“Ich, ich bin am Ziel
Weiss was ich will und brauch nicht viel
Ich bin dort, wo die Kinder spielen”

Ziedaar de aanschouwer Distelmeyer. Nog verder terug gaat Hinter der Musik. Een indierocker die niet had misstaan op debuut Ich-Maschine (1992). En juist daar maakt hij diskurzpop uit het boekje. Abstracte teksten, afstandelijk ook, maar oh zo duidelijk en raak.

“Halt die Wunde wach
Wahrheit oder Pflicht
Dicke Luft im Schacht
Trauer tropft als roter Faden
Auf die tastatur
Herzblut zum Herunterladen
Vonder Frohnatur
Und der Himmel wird gelb wie Gift
All die toten Clowns
Auf meinem Narrenschiff

Irrsinn!
Blitzt aus Kameraaugen
Komm nimm, die Nacht aus meinen Augen
Irrsinn, komm!”

Het nadenken heeft Distelmeyer hoorbaar goed gedaan. Tekstueel is hij op Heavy uitermate sterk. Gelaten ook. Dat is de Distelmeyer die we sinds Old Nobody kennen.

Maar hoe zit het instrumentaal? Ook daar geldt dat het gemis van André Rattay – drummer en enige nog overgebleven oprichtingslid van Blumfeld in de laatste bezetting – minimaal is. Jochen Distelmeyer klinkt op Heavy als Blumfeld. Dezelfde nummers, dezelfde sfeer, dezelfde gitaarpartijen, dezelfde gemoedstoestand. Sterker nog, Heavy klinkt meer Blumfeld dan Verbotene Früchte. Misschien zelfs meer dan Testament der Angst. De overtreffende trap? Voor het eerst zijn alle stijlen die Blumfeld in zijn achttienjarige bestaan heeft gespeeld verenigd op één album. Suikerzoete popliedjes, stuurse indierockers, gevoelige ballades. Ze zijn er en bijten elkaar nergens. Die verzameling maakt Heavy tot een prachtig popalbum, dat in Nederland helaas onopgemerkt zal blijven.

Onnodig, want tweede single Lass uns Lieve sein is niet alleen behept met een fraaie clip, het nummer is een goed voorbeeld van de muzikale klasse van Distelmeyer. Ga maar na: fraai, soms lekker stuurs pianowerk, goed popritme, meezingbaar couplet en refrein. Grootste troef? De tekst van Distelmeyer. Op het eerste gehoor mierzoete, poëtische kitsch. Maar dat is schijn. Lees maar mee:

“So ging ich über Berg und Tal
Komm und träum den Traum noch mal
Komm um Dir zu sagen:
Lass uns Liebe sein
All das stille Sehnen tief in uns
Einsam sein ist keine Kunst
Ich weiß für mich
Muss es Liebe sein”

In combinatie met dat stuurse pianowerk en toegankelijk popritme maakt die tekst Lass uns Liebe sein tot muziek die het discours pop of indie overstijgt. Dit is kunst die onze projecties van de werkelijkheid pijnlijk blootlegt. Kunst die ongewild en onverwacht schuurt. En dat is precies waar Jochen Distelmeyer goed in is. Blij toe dat hij geen boek is gaan schrijven.

Heavy van Jochen Distelmeyer is uit op Columbia Berlin.